Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant sub 2],
[appellant sub 3],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure vordert appellante de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waarin zij is veroordeeld wegens schending van een non-concurrentiebeding en tot betaling van €215.000,-. Het hof verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Gelderland en behandelt het incident op grond van artikel 351 Rv Pro.
Appellante stelt dat de rechtbank een misslag heeft gemaakt bij de beoordeling van de schending van het non-concurrentiebeding en dat de betalingsverplichting haar in een noodsituatie brengt. Tevens voert zij aan dat voortzetting van de tenuitvoerlegging misbruik oplevert. Het hof oordeelt dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd zijn en dat geen sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die een afwijking van de eerdere beslissing rechtvaardigen.
Het hof past de maatstaven uit eerdere Hoge Raad-arresten toe en concludeert dat het belang van geïntimeerden bij voortzetting van de tenuitvoerlegging in beginsel zwaarder weegt dan het belang van appellante bij schorsing. De vordering wordt afgewezen en appellante wordt veroordeeld in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en veroordeelt appellante in de kosten van het incident.