Belanghebbende betaalde BPM voor vier auto's en maakte bezwaar tegen de vastgestelde bedragen. De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen gegrond en stelde de BPM-bedragen lager vast, inclusief een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de BPM voor de BMW 325i en vorderde hogere rente, immateriële schadevergoeding en proceskosten.
Het Hof stelde de BPM voor de BMW 325i definitief vast op € 1.968, lager dan door de rechtbank vastgesteld. De vordering tot een hogere rentevergoeding wegens vermeende schending van Unierecht werd afgewezen, waarbij het Hof verwees naar eerdere jurisprudentie. De immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn werd bevestigd, waarbij het Hof een verlenging van de redelijke termijn met 11 maanden aannam vanwege de complexiteit en het grote aantal soortgelijke zaken.
Verder werd de rentevergoeding over de immateriële schadevergoeding toegekend vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 1.200 voor het hoger beroep, naast eerdere vergoedingen voor bezwaar en beroep, met een afwijking van de forfaitaire regeling vanwege bijzondere omstandigheden. Het Hof veroordeelde de Staat tot betaling van de wettelijke rente en de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.