De Stichting vorderde van haar voormalige bestuurders terugbetaling van bestuurs- en onkostenvergoedingen die zij jarenlang ten onrechte zouden hebben ontvangen. De rechtbank wees deze vorderingen af, deels wegens verjaring en deels wegens het ontbreken van onbehoorlijk bestuur. Het hof vernietigt dit vonnis voor zover in conventie en beoordeelt de verjaring en de grondslagen van de vorderingen opnieuw.
Het hof oordeelt dat de vorderingen die betrekking hebben op betalingen vóór 17 november 2010 zijn verjaard, omdat de verjaringstermijn ook geldt voor de Stichting via haar toenmalige bestuurders. Betalingen aan ex-bestuurders vóór 16 mei 2011 waren onverschuldigd, omdat de statuten destijds geen bestuursvergoedingen toestonden. Deze bedragen dienen terugbetaald te worden. Voor de periode na 16 mei 2011 is sprake van een rechtsgrond voor redelijke bestuursvergoedingen, zodat die vorderingen niet toewijsbaar zijn.
Verder oordeelt het hof dat onredelijke kosten voor koffie en benzine onverschuldigd zijn betaald en terugbetaald moeten worden. Kosten voor etentjes en consumpties zijn redelijk geacht. De Stichting krijgt een bedrag van €1.766,47 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 april 2015. Proceskosten worden gecompenseerd.