Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant 2],
Woningstichting [geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak vordert de woningstichting ontruiming van panden die gekraakt zijn door appellanten, met het oog op sloop en herontwikkeling van het gebied. De voorzieningenrechter heeft appellanten veroordeeld tot ontruiming en het vonnis uitvoerbaar verklaard voor een jaar tegen herkraak. Tevens werd een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen.
Appellanten betwisten het spoedeisend belang en de proceskostenveroordeling. Het hof oordeelt dat de woningstichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ontruiming noodzakelijk is voor het bouwproces, waaronder destructief asbestonderzoek en aanbesteding, en dat vertraging inherent is aan het bouwproces maar niet onaanvaardbaar.
Het hof verklaart appellant 2 ontvankelijk omdat hij als bewoner van het gekraakte pand als procespartij geldt. De grief tegen het spoedeisend belang en de uitvoerbaarheid van het vonnis faalt. Wel wordt de proceskostenveroordeling in eerste aanleg verminderd omdat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ten onrechte het griffierecht heeft verhoogd.
Appellanten worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest wordt uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden op 30 augustus 2018.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis tot ontruiming, wijzigt de proceskostenveroordeling en veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep.