Belanghebbende heeft BPM betaald voor een ingevoerde kampeerauto en ontving daarop een naheffingsaanslag van de Inspecteur wegens een te lage afschrijving. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof heeft het geschil beoordeeld aan de hand van drie hoofdpunten: de mogelijkheid tot naheffing na het belastbare feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de juiste wijze van afschrijving van de kampeerauto. Het hof verwierp het betoog dat naheffing na het belastbare feit niet mogelijk is en oordeelde dat de Inspecteur belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gegeven om zijn standpunt kenbaar te maken, zodat het verdedigingsbeginsel niet is geschonden.
Ten aanzien van de afschrijving stelde het hof vast dat het gebruik van een koerslijst van een gesloten bestelauto zonder recreatieve voorzieningen niet passend is voor een kampeerauto vanwege wezenlijke verschillen in gebruik en waardeontwikkeling. Het hof achtte de forfaitaire afschrijving van 32,33% zoals door de Inspecteur toegepast passend en verwierp het beroep van belanghebbende.
Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak is openbaar gedaan op 9 oktober 2018 door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. B.F.A. van Huijgevoort.