Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratie(hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, die vanwege niet aangeboren hersenletsel visuele en auditieve prikkels onvoldoende kan filteren, vroeg om toepassing van het verlaagde bestelautotarief voor gehandicapten op haar bestelauto. De Inspecteur wees dit verzoek af omdat belanghebbende niet voor het vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel op een bestelauto is aangewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof beoordeelde of belanghebbende aanspraak kon maken op het verlaagde tarief op grond van artikel 24a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Het hof oordeelde dat de wetgever het verlaagde tarief expliciet heeft verbonden aan het vervoer van een gehandicapte met een niet-opvouwbare rolstoel in een bestelauto. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat haar situatie gelijk is aan die van een gehandicapte die vanwege het vervoer van een rolstoel op een bestelauto is aangewezen.
Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat dit beginsel niet los van verdragsbepalingen door de rechter kan worden toegepast om de wet te toetsen. Het hof bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Proceskosten werden niet aan een van de partijen opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. V.F.R. Woeltjes, in aanwezigheid van mr. H. de Jong als griffier.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verlaagde motorrijtuigenbelastingtarief wordt niet toegekend aan belanghebbende.