In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen appellant en Dexia Nederland B.V. over drie effectenleaseovereenkomsten. Appellant vordert vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en afwijzing van Dexia's vordering, terwijl Dexia een verklaring voor recht vordert dat zij een bedrag aan appellant verschuldigd is. De kantonrechter oordeelde dat Dexia misbruik van bevoegdheid maakte met haar vordering, maar het hof vernietigt dit oordeel.
Het hof stelt vast dat Dexia belang heeft bij haar vordering en dat er geen misbruik van bevoegdheid is, ook niet vanwege de nog niet uitgekristalliseerde jurisprudentie. De stelplicht en bewijslast rusten op Dexia, terwijl appellant moet aangeven waar hij nog een vordering meent te hebben. Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende feiten heeft aangevoerd voor zijn verjaringverweer en beleggingstechnische gebreken, en dat er geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last bij het aangaan van de overeenkomsten.
Verder wijst het hof de vordering van appellant tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af, omdat de gemaakte kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Dexia wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.317,64 plus wettelijke rente, en appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.