Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
(...)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak gaat het om de koop van een paard door [Geintimeerde] van [Appellant], waarbij sprake is van een geschil over non-conformiteit en klachtplicht. [Geintimeerde] stelde dat het paard niet braaf was en gevaarlijk gedrag vertoonde, wat niet overeenkwam met de koopovereenkomst. De rechtbank had tussenvonnissen gewezen waarin de bewijsopdracht aan [Geintimeerde] werd geformuleerd.
Het hof overwoog dat de klacht van [Geintimeerde] over het gebrek aan het paard tijdig was gedaan, ondanks dat het paard al binnen twee weken na levering ongewenst gedrag vertoonde. Dit werd verklaard door de aard van het dier en het karaktergebrek, waardoor onderzoek en observatie gerechtvaardigd waren. Ook de verjaring werd verworpen omdat de klacht en dagvaarding tijdig waren ingediend.
Verder oordeelde het hof dat het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW Pro van toepassing is op deze consumentenkoop, ook al betreft het een levend dier met een karaktergebrek. Het bewijsvermoeden houdt in dat als het gebrek zich binnen zes maanden na aflevering openbaart, wordt vermoed dat het al bij aflevering aanwezig was. Het hof verwierp het verweer van [Appellant] dat dit bewijsvermoeden niet zou gelden.
Het hof bekrachtigde de tussenvonnissen van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens veroordeelde het hof [Appellant] en [Geintimeerde] in de proceskosten van respectievelijk het principaal en incidenteel hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussenvonnissen, bevestigt de toepassing van het bewijsvermoeden en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.