Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende droeg in 2004 het klantenbestand van haar administratie- en belastingadvieskantoor over aan een coöperatieve vereniging waarvan zij en haar leden deel uitmaakten. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op over 2003 vanwege een overdrachtswinst van €320.000, die na bezwaar en beroep werd bevestigd. De Hoge Raad oordeelde eerder dat de bedrijfsfusiefaciliteit niet van toepassing was omdat de tegenprestatie niet gelijkwaardig was.
In 2011 sloten partijen een leningsovereenkomst waarbij belanghebbende een vordering van €320.000 op de coöperatie opnam en deze afwaardeerde met €319.000. De Inspecteur accepteerde deze afwaardering niet. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat geen civielrechtelijke schuldverhouding was ontstaan door de overdracht en dat de leningsovereenkomst geen bestaande schuldverhouding weerspiegelde.
Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat de lidmaatschapsrechten die belanghebbende ontving geen geldvordering vertegenwoordigen. De leningsovereenkomst is administratief, maar civielrechtelijk niet relevant. Daarnaast is de lening onzakelijk, omdat de coöperatie niet solvabel was en geen zekerheid werd gesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, inclusief de belastingrente. Er is geen aanleiding voor griffierechtvergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwaardering van de vordering wordt afgewezen.