In deze civiele zaak stond centraal of een werkneemster een contractueel geheimhoudingsbeding had geschonden door bedrijfsbestanden naar een usb-stick te kopiëren en deze mee naar huis te nemen, en of zij daardoor een boete verschuldigd was. De arbeidsovereenkomst bevatte een geheimhoudingsbeding met een boetebeding bij overtreding. De kantonrechter wees de boetevordering af, omdat niet was vastgesteld dat de bestanden waren gedeeld of gebruikt.
Het hof bevestigde deze uitleg op basis van de Haviltex-norm en oordeelde dat het enkel bewaren van gegevens niet gelijkstaat aan gebruik of het schenden van geheimhouding. Indien de werkgever dit had willen verbieden, had zij dit expliciet moeten opnemen in het beding. De grief van de werkgever faalde.
Daarnaast was er een geschil over de betalingstermijn van de eindafrekening. De werkgever had de eindafrekening pas in april uitbetaald terwijl het dienstverband eindigde op 28 februari. Het hof oordeelde dat de wettelijke verhoging en rente over het te late betaalde bedrag verschuldigd waren vanaf 4 maart tot de datum van betaling op 25 april.
De vordering tot betaling van de wettelijke verhoging en rente werd daarom alsnog toegewezen. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen en tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. Het hof wees een reële proceskostenvergoeding af wegens het ontbreken van misbruik van procesrecht.