– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– bevestigt de uitspraak op bezwaar inzake de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar,
– wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade toe,
– veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van de door deze geleden immateriële schade ten bedrage van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar,
– veroordeelt de Staat tot vergoeding aan belanghebbende van de door deze geleden immateriële schade ten bedrage van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep,
– veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van € 2.000 vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak in hoger beroep (22 januari 2019) tot aan de dag van algehele voldoening,
– veroordeelt de Staat tot vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van € 500 vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak in hoger beroep (22 januari 2019) tot aan de dag van algehele voldoening,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ter zake van het bezwaar, beroep en hoger beroep, vastgesteld op € 450,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze in hoger beroep betaalde griffierecht van € 503 vergoedt, en
– veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van het door belanghebbende bij het Hof betaalde griffierecht van € 503 vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak van het Hof (22 januari 2019) tot aan de dag van algehele voldoening.