Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De motivering van de beslissing in het incident
4.De beslissing
18 juni 2019voor memorie van antwoord namens [geïntimeerde];
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis centraal, waarbij appellante (voorheen [firma 1] B.V.) zich verzet tegen de uitvoering van een vonnis dat haar veroordeelt tot betaling van huurpenningen en boeterente. De hoofdzaak betreft een huurgeschil over een bedrijfsruimte die geïntimeerde huurde en onderverhuurde aan [firma 1].
De kantonrechter oordeelde dat geïntimeerde hoofdhuurder bleef en veroordeelde hem tot betaling van achterstallige huur, terwijl [firma 1] als onderhuurder eveneens werd veroordeeld tot betaling. Appellante vordert schorsing van de tenuitvoerlegging omdat zij stelt dat zij de ruimte feitelijk niet gebruikt en niet kan gebruiken, en dat het vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag.
Het hof stelt dat geïntimeerde een rechtens gegeven belang heeft bij de tenuitvoerlegging, namelijk het innen van de toegewezen geldsommen. Het belang van appellante om geen huur te betalen voor niet-gebruikte ruimte weegt minder zwaar, mede omdat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij door tenuitvoerlegging in een financiële noodtoestand komt. Ook is geen sprake van een kennelijke misslag in het vonnis.
Daarom wijst het hof de vordering tot schorsing af en veroordeelt appellante in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord van geïntimeerde, en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.