ECLI:NL:GHARL:2020:10152

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 december 2020
Publicatiedatum
7 december 2020
Zaaknummer
200.285.609
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 285 FwArt. 369 lid 10 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing dwangakkoord onder aanhouding WSNP-verzoek

Appellante verzocht bij de rechtbank Midden-Nederland om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) en tegelijkertijd om een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet (Fw). De rechtbank wees het dwangakkoordverzoek af en hield de beslissing over het WSNP-verzoek aan.

Appellante ging in hoger beroep tegen de afwijzing van het dwangakkoordverzoek en wilde dat het hof het dwangakkoord alsnog zou toewijzen. Het hof oordeelde echter dat appellante niet ontvankelijk was in haar hoger beroep omdat het WSNP-verzoek nog niet was beslist. Volgens vaste jurisprudentie is zelfstandig hoger beroep tegen een afwijzing van een dwangakkoord pas mogelijk na afwijzing of intrekking van het WSNP-verzoek.

Het hof benadrukte dat het toestaan van hoger beroep in deze fase zou leiden tot langdurige procedures die het WSNP-verzoek onnodig vertragen en dat dit niet strookt met de bedoeling van de wetgever. Ook het beroep op het EVRM en maatschappelijke kosten kon het oordeel niet veranderen. Het arrest bevestigt dat tegen beslissingen in het kader van de schuldsaneringsregeling niet altijd een tweede feitelijke instantie openstaat.

Het hof verklaarde appellante daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en handhaafde het vonnis van de rechtbank. Deze uitspraak sluit aan bij eerdere arresten van dit hof en andere hoven en benadrukt de beperkte mogelijkheid tot hoger beroep in het insolventierecht.

Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de afwijzing van het dwangakkoordverzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.285.609
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/499453)

arrest van 7 december 2020

in de zaak van
[appellante],
wonende te [A] ,
appellante, hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. M.R.A. Rutten,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [B] ,
geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde] .

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
[appellante] heeft bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsanerings-regeling en gelijktijdig verzocht de weigerachtige schuldeisers Fleir Apotheek Parkwijk (hierna: Fleir) en [geïntimeerde] te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van dat verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissements-wet (hierna: Fw). Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft Fleir alsnog ingestemd met het aanbod van [appellante] .
1.2
Bij vonnis van 3 november 2020 heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] ex artikel 287a Fw afgewezen en de beslissing op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aangehouden. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij ter griffie van het hof op 10 november 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 november 2020. [appellante] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat het verzochte dwangakkoord alsnog wordt toegewezen.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage en de brief met bijlagen van 24 november 2020 van mr. Rutten.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 november 2020. Hierbij is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. Rutten. Verder is ook [geïntimeerde] verschenen.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1
[appellante] heeft vier schulden voor een totaalbedrag van € 23.571,99, waaronder de schuld aan [geïntimeerde] van € 22.267,18. [geïntimeerde] is als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met het aanbod van [appellante] .
3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot toepassing van artikel 287a Fw afgewezen, omdat de belangen van [geïntimeerde] met een vordering van meer dan 90% van de schuldenlast zwaarder wegen dan de belangen van [appellante] en van de schuldeisers die wel met de schuldregeling hebben ingestemd.
3.3
Allereerst moet het hof beoordelen of [appellante] kan worden ontvangen in haar hoger beroep. Het gaat hier om een schuldenaar van wie het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldenregeling wordt afgewezen, onder aanhouding van de beslissing op het door de schuldenaar gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
3.4
[appellante] stelt zich op het standpunt dat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Hiervoor voert zij de volgende gronden aan:
(i.) indien haar WSNP-verzoek wordt toegewezen, valt de mogelijkheid weg om hoger beroep in te stellen tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangakkoord. Hierdoor verliest zij een beroepsinstantie die de wet haar wel biedt en dat strookt niet met de bedoeling van de wetgever om het minnelijk traject te versterken,
(ii.) het wettelijk schuldsaneringstraject brengt de nodige maatschappelijke kosten met zich, die bij toewijzing van haar verzoek ex artikel 287a Fw kunnen worden vermeden,
(iii.) intrekking van haar WSNP-verzoek zou tot gevolg hebben dat het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject per direct wordt beëindigd en dat voor haar bij een nieuw WSNP-verzoek een wachttijd van minimaal zes maanden tot maximaal een jaar zal gelden.
3.5
Het hof is van oordeel dat [appellante] op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van
14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966) en de latere door dit hof en andere hoven gewezen (en gepubliceerde) arresten niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 287a Fw. [1] Het indienen van een zelfstandig hoger beroep van de afwijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 287a Fw is pas mogelijk bij afwijzing of intrekking van het WSNP-verzoek. Indien en zolang nog niet is beslist op het (gehandhaafde) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, staat de mogelijkheid van zelfstandig hoger beroep niet open.
Als in deze situatie wel hoger beroep mogelijk zou zijn, kan men tot en met de Hoge Raad (en mogelijk verder in geval van vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad [2] ) doorprocederen over een (afgewezen) gedwongen schuldregeling. Het onwenselijke gevolg daarvan is dat als het hoger beroep niet slaagt, het WSNP-verzoek pas na lange tijd kan worden behandeld. De gegevens in het verzoekschrift als bedoeld in artikel 285 Fw Pro (schuldenlijst, inkomenssituatie etc.) zijn dan mogelijk verouderd. Gelet op de parlementaire geschiedenis wil de wetgever dat voorkomen. [3] In geen van de door [appellante] onder rov. 3.4 aangevoerde gronden ziet het hof aanleiding af te wijken van deze keuze van de wetgever om de schuldenaar geen recht van hoger beroep toe te kennen tegen het vonnis waarbij de gedwongen schuldregeling is afgewezen en waarbij de schuldenaar het WSNP-verzoek in eerste aanleg heeft gehandhaafd. Het hof merkt daarbij op dat het Nederlandse (burgerlijk) recht geen (fundamentele) aanspraak op een beslissing in twee feitelijke instanties kent.
Een dergelijke aanspraak kan evenmin worden ontleend aan het EVRM. Het voorgaande blijkt, in het kader van het insolventieprocesrecht, onder meer uit het per 1 januari 2021 in te voeren artikel 369 lid 10 Fw Pro (WHOA) waarin is bepaald dat tegen de beslissingen van de rechtbank in het kader van de nieuwe vierde afdeling van de Faillissementswet geen rechtsmiddel open staat, tenzij anders is bepaald, zodat tegen een vonnis tot homologatie van een (onderhands) akkoord op grond van die vierde afdeling geen hoger beroep (of cassatie) open staat.
3.6
Het hof zal dan ook beslissen als hierna te melden.

4.4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. de Waele, B.J. Engberts en I.M. Bilderbeek, en is op
7 december 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Zie o.a. hof 's-Hertogenbosch 21 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4100; hof Den Haag
2.Zie bijvoorbeeld hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3472.
3.Kamerstukken II 2004/2005, 29942, 4, p. 3.