AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt geen hoger beroep tegen afwijzing dwangakkoord zolang WSNP-verzoek niet is beslist
In deze zaak stond centraal of een schuldenaar hoger beroep kan instellen tegen de afwijzing van een primair verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord terwijl het subsidiaire verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) nog niet is beslist maar aangehouden. De schuldenaar had een schuldregeling aangeboden waarbij een schuldeiser met een zeer groot deel van de schuld niet instemde, waarna de rechtbank het dwangakkoord afwees en het WSNP-verzoek apart zou behandelen.
Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat volgens vaste jurisprudentie geen hoger beroep openstaat tegen de afwijzing van het dwangakkoord zolang het WSNP-verzoek nog niet is afgehandeld. Dit is een bewuste keuze van de wetgever om te voorkomen dat er langdurige en complexe procedures ontstaan die de rechterlijke macht onnodig belasten.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de wetsgeschiedenis en eerdere arresten duidelijk maken dat het systeem is ingericht om proceseconomie te bevorderen en dat het dwangakkoord een laatste toetsing is binnen het minnelijk traject. De schuldenaar kan wel hoger beroep instellen nadat het WSNP-verzoek is afgewezen of intrekking van het WSNP-verzoek heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep ongegrond is en dat het systeem van rechtsmiddelen in het insolventierecht adequaat is, ook al betekent dit dat in bepaalde situaties geen zelfstandig hoger beroep tegen het dwangakkoord openstaat zolang het WSNP-verzoek loopt.
Deze uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen het dwangakkoord en het WSNP-verzoek en bevestigt de proceseconomische overwegingen die aan het stelsel ten grondslag liggen.
Uitkomst: Hoger beroep tegen afwijzing dwangakkoord is niet-ontvankelijk zolang het WSNP-verzoek niet is beslist.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/04179
Zitting23 februari 2021
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[verzoekster]
(hierna: “ [verzoekster] ”)
verzoekster tot cassatie
adv. mr. K. Aantjes
tegen
[verweerder]
(hierna: “ [verweerder] ”)
verweerder in cassatie
niet verschenen
[verzoekster] heeft vier schuldenaren en haar (huur)schuld aan [verweerder] is daarvan verreweg de hoogste. Nadat [verweerder] had geweigerd in te stemmen met een schuldregeling, heeft [verzoekster] zich tot de rechtbank gewend met primair een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord (art. 287a lid 1 Fw) en subsidiair toelating tot de schuldsaneringsregeling. Deze zaak gaat over de vraag of [verzoekster] hoger beroep kon instellen tegen de afwijzing van het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord in de situatie dat de beslissing op het gehandhaafde subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling werd aangehouden. Het hof heeft geoordeeld dat dat niet kan en heeft [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep. Volgens het hof staat hoger beroep niet open zolang nog niet is beslist op het gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat dit een bewuste keuze van de wetgever is om redenen van proceseconomie en [verzoekster] komt daar in cassatie volgens mij tevergeefs tegen op.
1.1 [verzoekster] heeft een totale schuldenlast van € 23.571,99. Er zijn vier schuldeisers. De vordering van [verweerder] bedraagt € 22.267,18. [verzoekster] heeft van [verweerder] een woning gehuurd, samen met haar moeder. In 2014 zijn [verzoekster] en haar moeder hun baan verloren en werd haar moeder ziek. Hierdoor heeft [verzoekster] de huur niet aan [verweerder] kunnen betalen en zijn zij op zoek gegaan naar een goedkopere huurwoning. Bij vonnis van 11 januari 2017 heeft de rechtbank de huurovereenkomst ontbonden en [verzoekster] veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur aan [verweerder] . Op 1 april 2017 heeft [verzoekster] de woning verlaten.
1.2 [verzoekster] heeft op 30 december 2019 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers (7,37% van hun vorderingen tegen finale kwijting). [verweerder] heeft daar niet mee ingestemd. [verzoekster] heeft vervolgens primair om vaststelling van een dwangakkoord verzocht ex art. 287a Fw, subsidiair tot toelating tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
1.3 Een mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden vanwege de maatregelen in verband met het coronavirus [2] . Bij vonnis van 3 november 2020 heeft de rechtbank het verzoek om een dwangakkoord afgewezen, kort gezegd omdat de belangen van [verweerder] met een vordering van meer dan 90% van de schuldenlast zwaarder wegen dan de belangen van [verzoekster] en van de schuldeisers die wel met de schuldregeling hebben ingestemd. Verder heeft de rechtbank in rov. 3.5 overwogen dat op het (gehandhaafde subsidiaire) WSNP-verzoek bij afzonderlijk vonnis wordt beslist.
1.4 [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord. Het beroepschrift vermeldt onder meer dat [verzoekster] het WSNP-verzoek niet zal intrekken, maar dat zij de rechtbank heeft verzocht de behandeling aan te houden [3] . Nadien heeft bij het hof een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Blijkens het zittingsp-v (p. 3, 3e alinea) is door het hof aan de orde gesteld dat het hof geen reden ziet om van het geldende wettelijke systeem af te wijken. Het hof heeft daarbij aangegeven dat mocht het WSNP-verzoek worden afgewezen, daarvan in appel kan worden gegaan en het hof dan gelijktijdig om vaststelling van een dwangakkoord kan worden verzocht (vgl. art. 292 lid 3 FwPro).
1.5 Bij arrest van 7 december 2020 heeft het hof [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep. Daartoe overwoog het hof:
“3.5 Het hof is van oordeel dat [verzoekster] op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966) en de latere door dit hof en andere hoven gewezen (en gepubliceerde) arresten niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 287a Fw.1 [vt. 1 luidt: Zie o.a. hof 's-Hertogenbosch 21 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4100; hof Den Haag 13 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:229; hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6143, A-G] Het indienen van een zelfstandig hoger beroep van de afwijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 287a Fw is pas mogelijk bij afwijzing of intrekking van het WSNP-verzoek. Indien en zolang nog niet is beslist op het (gehandhaafde) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, staat de mogelijkheid van zelfstandig hoger beroep niet open.
Als in deze situatie wel hoger beroep mogelijk zou zijn, kan men tot en met de Hoge Raad (en mogelijk verder in geval van vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad2) doorprocederen over een (afgewezen) gedwongen schuldregeling. [vt. 2 luidt: Zie bijvoorbeeld hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3472, A-G.] Het onwenselijke gevolg daarvan is dat als het hoger beroep niet slaagt, het WSNP-verzoek pas na lange tijd kan worden behandeld. De gegevens in het verzoekschrift als bedoeld in artikel 285 FwPro (schuldenlijst, inkomenssituatie etc.) zijn dan mogelijk verouderd. Gelet op de parlementaire geschiedenis wil de wetgever dat voorkomen.3 [vt. 3 luidt: Kamerstukken II 2004/2005, 29942, 4, p. 3, A-G] In geen van de door [verzoekster] onder rov. 3.4 aangevoerde gronden ziet het hof aanleiding af te wijken van deze keuze van de wetgever om de schuldenaar geen recht van hoger beroep toe te kennen tegen het vonnis waarbij de gedwongen schuldregeling is afgewezen en waarbij de schuldenaar het WSNP-verzoek in eerste aanleg heeft gehandhaafd. Het hof merkt daarbij op dat het Nederlandse (burgerlijk) recht geen (fundamentele) aanspraak op een beslissing in twee feitelijke instanties kent.
Een dergelijke aanspraak kan evenmin worden ontleend aan het EVRM. Het voorgaande blijkt, in het kader van het insolventieprocesrecht, onder meer uit het per 1 januari 2021 in te voeren artikel 369 lid 10 FwPro (WHOA) waarin is bepaald dat tegen de beslissingen van de rechtbank in het kader van de nieuwe vierde afdeling van de Faillissementswet geen rechtsmiddel open staat, tenzij anders is bepaald, zodat tegen een vonnis tot homologatie van een (onderhands) akkoord op grond van die vierde afdeling geen hoger beroep (of cassatie) open staat.”
1.6 Tegen deze uitspraak richt zich het op 15 december 2020, dus binnen de termijn van acht dagen [4] , ingekomen cassatieberoep. Daarin is een voorbehoud gemaakt wegens het ontbreken van het zittingsp-v in hoger beroep. Op 29 december 2020 is een aanvullend verzoekschrift tot cassatie gedaan naar aanleiding van dit zittingsp-v. Bij brief van 3 februari 2021 heeft [verweerder] bericht dat hij geen verweer zal voeren.
2.Ontvankelijkheid
2.1
Allereerst dient ambtshalve te worden onderzocht of het cassatieberoep ontvankelijk is [5] . Aangenomen moet worden dat ook in WSNP-zaken cassatie kan worden ingesteld tegen een niet-ontvankelijkverklaring door het hof [6] . Art. 360 FwPro staat daaraan niet in de weg. In onze zaak berust de niet-ontvankelijkverklaring op het oordeel van het hof dat geen hoger beroep open stond. Dat oordeel wordt in cassatie bestreden. Ook als de slotsom moet zijn dat er geen rechtsmiddel tegen het vonnis openstond, leidt dit niet tot een niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, maar tot een verwerping van de klachten, zo maak ik op uit een uitspraak van Uw Raad over het rechtsmiddelenverbod van art. 188 lid 2 RvPro [7] . Het cassatieberoep is dus ontvankelijk.
3.Bespreking van het cassatieberoep
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, waarvan het tweede louter voortbouwend is. Het eerste onderdeel richt zich tegen rov. 3.5, hiervoor geciteerd in 1.5. Daarin zet het hof uiteen waarom het [verzoekster] niet-ontvankelijk acht in appel: hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangakkoord staat niet open zolang nog niet is beslist op het gehandhaafde WSNP-verzoek. Dit onderdeel wordt nader uitgewerkt en toegelicht in negen ongenummerde alinea’s. Het aanvullend verzoekschrift wijst op de stellingname bij de mondelinge behandeling dat het onwenselijk zou zijn als in dit geval alleen beroep kan worden ingesteld na intrekking van het WSNP-verzoek, zeker gezien de gevolgen van zo’n intrekking voor [verzoekster] : het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject wordt dan per direct beëindigd en krachtens gemeentelijk beleid is er vervolgens een wachttijd voor een volgend WSNP-verzoek van zes maanden tot een jaar.
3.2
De vraag in cassatie is of het hof terecht heeft geoordeeld dat hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangakkoord niet open staat zolang nog niet is beslist op het gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Alvorens daarop in te gaan schets ik eerst de achtergrond van art. 287a Fw [8] en art. 292 FwPro.
De gedwongen schuldregeling van art. 287a Fw
3.3
Het uitgangspunt bij schuldsaneringen is dat een schuldenaar pas wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling als alle mogelijkheden voor een minnelijke regeling zijn uitgeput. Vereist is daarom dat de schuldenaar voordat hij een beroep op de schuldsaneringsregeling doet, eerst pogingen onderneemt om een buitengerechtelijke regeling te treffen, het zogeheten minnelijke traject. Pas als gebleken is dat het treffen van een minnelijke regeling niet mogelijk is, kan de schuldenaar tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden toegelaten.
3.4
Om het minnelijk traject te versterken is met ingang van 1 januari 2008 in art. 287a Fw de gedwongen schuldregeling opgenomen [9] . Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de schuldenaar in het verzoekschrift tot toepassing van de WSNP de rechtbank kan verzoeken één of meer schuldeisers die weigert of weigeren mee te werken aan een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
3.5
De toepassing van art. 287a Fw kan voorkómen dat schuldenaren in de wettelijke schuldsaneringsregeling terechtkomen in gevallen waarin een oplossing in het minnelijk traject mogelijk was geweest, “(…) ware het niet dat een weigerachtige crediteur wellicht zonder valide redenen zijn medewerking had geweigerd (…)”, omdat uit WODC-onderzoek was “(…) gebleken dat de redenen voor crediteuren om hun medewerking te weigeren niet altijd een zakelijk – dat wil zeggen gebaseerd op het gegronde vermoeden van een hogere uitkering in het wettelijke traject – zijn ingegeven (…)” [10] . Daarnaast moet het dwangakkoord een tegenwicht vormen tegen de gewijzigde en bovendien strengere eisen voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. Met art. 287a Fw moet worden voorkomen dat een te grote groep schuldenaren tussen de wal van het minnelijk traject en het schip van de wettelijke schuldsaneringsregeling (met de strenge eisen voor toelating) terecht zou komen [11] . Bijkomende reden voor de invoering van art. 287a Fw was de wens om de rechterlijke macht en bewindvoerders te ontlasten en de druk op het wettelijk traject te verminderen [12] .
3.6
Bij een verzoek op grond van art. 287a Fw moet een verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling gevoegd zijn [13] . Het verzoekschrift bestaat dan uit een primair verzoek tot opleggen van de dwangregeling en een subsidiair verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Voor toewijsbaarheid van het verzoek om een dwangregeling is op zichzelf niet vereist dat het WSNP-verzoek toewijsbaar zou zijn. Ook als de schuldenaar niet aan alle in de WSNP gestelde voorwaarden voldoet, kan de rechter het primaire verzoek toewijzen, zo is door Uw Raad beslist [14] . Indien het 287a Fw-verzoek wordt afgewezen, stelt de rechtbank de schuldenaar in de gelegenheid om aan te geven of hij het WSNP-verzoek wenst te handhaven [15] . Als dat het geval is, geeft de rechtbank hierover een beslissing. De schuldenaar kan echter ook afzien van een verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsanering, zo volgt uit art. 287a lid 8 Fw [16] .
Art. 292 FwPro bepaalt het volgende over de rechtsmiddelen (hoger beroep én cassatieberoep) tegen een uitspraak over een WSNP-verzoek en over een verzoek tot gedwongen instemming met een schuldregeling:
- tegen toewijzing van het verzoek om een dwangakkoord kunnen de schuldeisers in hoger beroep en cassatie opkomen (art. 292 lid 1 enPro 6 Fw);
- tegen toewijzing van een WSNP-verzoek staat geen rechtsmiddel open (art. 292 lid 2 FwPro);
- tegen afwijzing van een WSNP-verzoek kan de schuldenaar hoger beroep instellen. Als hij tevens heeft verzocht om een dwangakkoord, dan wordt dit verzoek eveneens aan het hof voorgelegd (art. 292 lid 3 FwPro). Cassatie staat open tegen een arrest waarbij het hof een WSNP-verzoek, en indien van toepassing ook het verzoek om een dwangakkoord, heeft afgewezen (art. 292 lid 5 FwPro).
3.8
Uw Raad heeft dit stelsel van rechtsmiddelen nader uitgewerkt in een arrest van 14 december 2012 [17] . De volgende vier gevallen [18] worden in die uitspraak besproken (respectievelijk rov. 3.6.2-3.6.5):
- de rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord af en wijst daarna het door de schuldenaar op de voet van art. 287a lid 7 (thans lid 8) Fw gehandhaafde WSNP-verzoek toe. Art. 292 lid 2 FwPro staat er dan (gezien de wetsgeschiedenis) aan in de weg dat de schuldenaar appel kan instellen tegen de afwijzing van het dwangakkoord.
- de rechtbank wijst zowel het verzoek om een dwangakkoord als het WSNP-verzoek af. De schuldenaar kan dan hoger beroep instellen op grond van art. 292 lid 3 FwPro. Volgt ook in appel afwijzing van het WSNP-verzoek en het eventuele verzoek om een dwangakkoord, dan staat cassatieberoep open (art. 292 lid 5 FwPro).
- de rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord af waarna de schuldenaar zijn WSNP-verzoek niet handhaaft. Een redelijke uitleg van art. 292 FwPro brengt mee dat de schuldenaar in dat geval hoger beroep kan instellen tegen de afwijzing van zijn verzoek om een dwangakkoord.
- de rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord toe. Op grond van art. 292 lid 1 FwPro kunnen de schuldeisers hiertegen in hoger beroep komen.
3.9
Samengevat in een schema [19] is het stelsel van beroepsmogelijkheden uit art. 292 FwPro en deze uitspraak als volgt [20] :
Hoger beroep mogelijk bij na afwijzing subsidiair WSNP-verzoek en hoger beroep daartegen (art. 293 lidPro 3, tweede volzin, Fw) en ook mogelijk wanneer subsidiair WSNP-verzoek niet wordt gehandhaafd (derde geval HR 14 december 2012)
N.v.t.
Toewijzing subsidiair WSNP-verzoek
Geen hoger beroep mogelijk (art. 292 lid 2 FwPro en eerste geval HR 14 december 2012)
Hoger beroep mogelijk (art. 292 lidPro 3, eerste volzin, Fw).
N.v.t.
3.1
In de rechtspraak van Uw Raad is nog niet uitdrukkelijk de casus aan de orde geweest als in onze zaak, waarbij het verzoek om vaststelling van een dwangakkoord is afgewezen en het gehandhaafde WSNP-verzoek is aangehouden.
3.11
Volgens mij heeft het hof terecht geoordeeld dat hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een gedwongen schuldregeling in dat geval niet open staat zolang nog niet is beslist op het gehandhaafde WSNP-verzoek. Dat volgt volgens mij uit de wetsgeschiedenis, de ratio van de regel dat geen hoger beroep openstaat tegen de afwijzing van het dwangakkoord wanneer het WSNP-verzoek wordt toegewezen en de omvang van de rechtsbescherming.
De wetsgeschiedenis
3.12
Ik stel voorop dat de mogelijkheid voor de schuldenaar om te bepalen of hij of zij na afwijzing van het dwangakkoord het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling handhaaft pas bij amendement in art. 287a lid 7 Fw (nu lid 8) is opgenomen. Het wetsvoorstel met toelichting dateert van 16 december 2004 [21] , bedoeld amendement van 16 oktober 2006 [22] , dat bij brief van 27 oktober 2006 is ontraden door de regering [23] , maar vervolgens met algemene stemmen is aangenomen op 31 oktober 2006 [24] . Op diezelfde dag is vervolgens een gewijzigd voorstel van wet naar de Eerste Kamer gegaan [25] .
3.13
Deze (late) toevoeging bij amendement is er vermoedelijk debet aan dat gevolgen van dit amendement voor de rechtsmiddelen die kunnen worden aangewend nadat de schuldenaar zijn keuze heeft gemaakt (of heeft moet maken) over het al dan niet handhaven van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, in de wetsgeschiedenis niet uit de verf zijn gekomen [26] . Dat neemt niet weg dat de wetsgeschiedenis – waar het hof in het bestreden arrest naar verwijst – duidelijke aanknopingspunten bevat voor ons geval. Naar aanleiding van een advies van de Raad van State is namelijk wel aan de orde gekomen of een beroepsmogelijkheid open zou moeten staan tegen afwijzing van de gedwongen schuldregeling hangende een subsidiair verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling [27] :
“[…] De in artikel 287a Fw voorgestelde gedwongen schuldregeling is onderdeel van de verzoekschriftprocedure in het kader van de schuldsaneringsregeling. Er is geen beroepsmogelijkheid opgenomen tegen afwijzing van het verzoek om een gedwongen schuldregeling, omdat het verzoek steeds vergezeld gaat van een subsidiair verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Afwijzing van het verzoek om een gedwongen schuldregeling heeft steeds tot gevolg dat de rechter vervolgens het subsidiaire verzoek om toelating in behandeling neemt. Pas als ook dit verzoek wordt afgewezen, kan de schuldenaar daartegen in beroep en kan ook de afwijzing van de gedwongen schuldregeling in beroep behandeld worden. De mogelijkheid een gedwongen schuldregeling te vragen dient gezien te worden als een onafhankelijke, laatste toetsing door de rechter van een weigering om in het minnelijke traject akkoord te gaan met een minnelijke regeling. Het zou te ver gaan om hiervoor een zelfstandige beroepsprocedure in het leven te roepen. Dit zou de procesgang van de schuldsaneringsaanvraag teveel compliceren en een nieuwe belasting van de rechterlijke macht opleveren, wat het wetsvoorstel juist beoogt te voorkomen. […]. Zou afzonderlijk beroep mogelijk zijn tegen de afwijzing van de gedwongen schuldregeling in het kader van de schuldsaneringsaanvraag, dan zou dat bovendien ook voor de schuldsaneringsregeling praktische bezwaren opleveren, omdat de schuldenaar inmiddels daartoe wel toegelaten kan zijn. Die kan echter niet van start gaan als er nog een mogelijkheid bestaat dat de minnelijke regeling gedwongen wordt opgelegd in hoger beroep (of na cassatie). Zodra de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, dient zij voortvarend ten uitvoer gelegd te worden, niet gehinderd door een nog hangend hoger beroep of door een (overigens in dit wetsvoorstel afgeschafte) voorlopige toepassing.
Teneinde dit systeem duidelijker tot uitdrukking te laten komen, is de memorie van toelichting bij artikel 292 FwPro aangevuld.” [28]
3.14
Hieruit volgt dat de wetgever een expliciete keuze heeft gemaakt om geen zelfstandig beroep open te stellen tegen alleen het (primaire) verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord los van de (subsidiaire) WSNP-aanvrage. Dit is weliswaar in de veronderstelling dat na afwijzing van het primair verzochte dwangakkoord meteen het subsidiaire WSNP-verzoek wordt behandeld, maar de argumenten tegen separate appellering van het afgewezen dwangakkoord gaan evenzeer op voor een geval als het onze, waarin op het WSNP-verzoek niet aanstonds wordt beslist, maar waarbij dat verzoek niet wordt ingetrokken door de schuldenaar. De procesgang van de schuldsaneringsaanvraag wordt ook in zo’n geval gecompliceerd en het zelfstandig (hoger) beroep levert ook dan een nieuwe belasting op voor de rechterlijke macht, hetgeen de wetgever juist heeft willen voorkomen. Dit komt de door de wetgever gewenste efficiëntie niet ten goede [29] .
3.15
Het aangenomen amendement frustreert zo bezien volgens mij ook niet de bedoeling van de wetgever [30] . De strekking van het amendement dat de schuldenaar een keuze geeft over handhaving van zijn subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, is om te voorkomen dat de rechtbank automatischhierover beslist na afwijzing van het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord:
“Met dit amendement wordt geregeld dat schuldenaren, die wel gebruik willen maken van het dwangakkoord, maar niet in de wettelijke schuldsaneringsregeling willen dit na afwijzing van het dwangakkoord voor een minnelijk traject zelf kunnen beslissen.
Het huidige zevende lid doet vermoeden dat de rechtbank na afwijzing van het verzoek tot dwangakkoord automatisch beslist over toepassing van de schuldsaneringsregeling. De schuldenaar moet daar zelf nog een beslissing in kunnen nemen.”
3.16
Dat brengt in mijn ogen mee dat de schuldenaar die een keuze maakt tot handhaving van het subsidiaire verzoek na afwijzing van de verzochte vaststelling van een dwangakkoord, kiest voor een behandeling en beslissing op dit subsidiaire verzoek [31] . Het amendement beoogt niet de schuldenaar de gelegenheid te geven in hoger beroep – en daarna mogelijk in cassatie – te gaan tegen de afwijzing van een gedwongen schuldregeling voordat over het subsidiaire WSNP-verzoek wordt beslist. Dat betekent dat eerdere overwegingen (vóór indiening van het amendement) over de beroepsmogelijkheden van de schuldenaar van betekenis blijven, zoals ook deze passage uit de NaV [32] :
“(…)
Het ontbreken van hoger beroep en cassatie tegen de afwijzing van een verzoek om een gedwongen schuldregeling is juist ingegeven door overwegingen van proceseconomie. Een afzonderlijk hoger beroep tegen een dergelijke afwijzing, vertraagt de behandeling van het schuldsaneringsverzoek. Het zou het mogelijk maken tot en met de Hoge Raad door te procederen over een gedwongen schuldregeling, om na afwijzing daarvan pas te gaan kijken of de schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten. Het ligt voor de hand dat de schuldenlast in de tussentijd zal toenemen en schuldeisers de schuldenaar voor een faillissement voorgedragen zullen hebben, dan wel beslag gelegd zullen hebben, hem uit huis geplaatst zullen hebben en dergelijke.
(…)”
3.17
Dit illustreert duidelijk dat het (ook) door het hof zo begrepen stelsel een bewuste keuze van de wetgever is, ingegeven door redenen van proceseconomie.
Ratio ontbreken beroepsmogelijkheid
3.18
Zoals wij hebben gezien heeft Uw Raad in rov. 3.6.2 van het arrest van 14 december 2012 geoordeeld dat de schuldenaar niet in hoger beroep kan komen tegen de afwijzing van een verzoek om een dwangakkoord wanneer de rechtbank het door de schuldenaar op de voet van art. 287a lid 7 (nu lid 8) Fw gehandhaafde WSNP-verzoek toewijst.
3.19
Daaraan ligt blijkens dit arrest de volgende ratio ten grondslag. Wanneer een schuldenaar is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen dient deze voortvarend van start te kunnen gaan, zonder oponthoud door een beroep tegen de afwijzing van een dwangakkoord. Verder moet voorkomen worden dat in hogere instantie(s) wordt geprocedeerd over het dwangakkoord, om pas na afwijzing daarvan te gaan kijken of de schuldenaar tot de WSNP wordt toegelaten.
3.2
Dezelfde ratio doet opgeld wanneer het dwangakkoord wordt afgewezen en op het WSNP-verzoek niet aanstonds wordt beslist, maar deze beslissing wordt aangehouden.
Omvang van de rechtsbescherming
3.21
Anders dan het middel stelt [33] , ontstaat in dit stelsel geengat in de rechtsbescherming indien niet kan worden geappelleerd tegen de afwijzing van de gedwongen schuldregeling zolang nog niet is beslist op een gehandhaafd WSNP-verzoek. Wanneer de rechtbank het WSNP-verzoek na de aanhouding alsnog afwijst, kan de schuldenaar tegen die beslissing opkomen en wordt ook de afwijzing van de gedwongen schuldregeling in dat hoger beroep betrokken (art. 292 lid 3 FwPro). We hebben gezien dat het hof dit ter zitting in hoger beroep ook zo heeft aangegeven. Daarnaast kan de schuldenaar tegen de afwijzing van de gedwongen schuldregeling opkomen als hij het WSNP-verzoek intrekt. De afwijzing van de gedwongen schuldregeling kan alleen niet in hoger beroep worden voorgelegd wanneer een gehandhaafd WSNP-verzoek wordt toegewezen. Nieuw is dat echter niet. In het besproken arrest van 14 december 2012 oordeelde Uw Raad ook al dat geen hoger beroep open staat tegen de afwijzing van een gedwongen schuldregeling in het geval het gehandhaafde WSNP-verzoek wordt toegewezen.
3.22
Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming lijkt het mij dus niet bezwaarlijk dat hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een gedwongen schuldregeling niet open staat zolang nog niet is beslist op het gehandhaafde WSNP-verzoek.
Slotsom
3.23
Gelet op de uit de parlementaire geschiedenis blijkende door proceseconomie ingegeven keuze om geen separaat appel tegen afwijzing van het dwangakkoord los van de subsidiaire WSNP-aanvrage mogelijk te maken, heeft het hof volgens mij terecht geoordeeld dat [verzoekster] geen hoger beroep kan instellen tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangakkoord zolang nog niet is beslist op het gehandhaafde WSNP-verzoek.
3.24
Het arrest van Uw Raad van 4 december 2020 [34] over onder meer art. 292 FwPro maakt dit volgens mij niet anders. In die zaak had de rechtbank (anders dan in onze zaak) niet alleen de gedwongen schuldregeling, maar ook het WSNP-verzoek afgewezen. Dat in die zaak hoger beroep open stond, zoals Uw Raad oordeelde, volgt dus rechtstreeks uit het bepaalde in art. 292 lid 3 FwPro.
3.25
Uit de bespreking tot nu toe volgt al dat het middel volgens mij geen doel kan treffen en dat hoger beroep in dit geval niet openstaat (vgl. art. 360 FwPro). Ik ga ten overvloede nog kort in op de verder nog in cassatie aangedragen argumentatie, voor zover deze hiervoor niet al (impliciet) aan de orde is geweest.
3.26
[verzoekster] wijst erop [35] dat Uw Raad eerder heeft overwogen dat de toewijsbaarheid van het primaire verzoek om een dwangakkoord niet afhankelijk is van de toewijsbaarheid van het subsidiaire WSNP-verzoek [36] . Hieruit zou volgen dat aanhouding van de beslissing op het subsidiaire verzoek niet in de weg staat aan een zelfstandig beroep tegen de afwijzing van het primaire verzoek. Dat lijkt mij niet. Hoewel het op zich correct is dat Uw Raad (samengevat) heeft overwogen dat het primaire verzoek op haar eigen merites moet worden beoordeeld, betekent dit niet dat daarmee voor een geval als in onze zaak aan de orde een zelfstandige beroepsmogelijkheid is gecreëerd.
3.27
Verder betoogt [verzoekster] [37] dat het dwangakkoord een instrument is om de overbelasting van de rechterlijke macht te beperken. Het dwangakkoord kreeg van de wetgever een sterkere rol in het stelsel en daarmee zou niet stroken dat in de onderhavige situatie geen zelfstandig hoger beroep open zou staan. Dit argument kan niet slagen, alleen al vanwege de duidelijke keuze van de wetgever om geen separaat beroep mogelijk te maken in deze situatie en daarbij uitdrukkelijk onder ogen is gezien dat een argument tégen zo’n zelfstandige beroepsmogelijkheid is dat dit een nieuwe en ongewenste belasting van de rechterlijke macht zou opleveren [38] .
3.28
Ten slotte stelt [verzoekster] in het aanvullend verzoekschrift dat het onwenselijk is dat in dit geval intrekking van het WSNP-verzoek vereist zou zijn voor ontvankelijkheid in hoger beroep. Dit veronderstelt dat intrekking van het subsidiaire WSNP-verzoek de enige mogelijkheid is om afwijzing van het verzoek om een dwangakkoord aan de appelrechter voor te leggen, maar dat miskent de werking van art. 292 lid 3 FwPro. Immers, wanneer (ook) op het gehandhaafde subsidiaire WSNP-verzoek negatief is beslist, kan in appel zowel de afwijzing van het dwangakkoord, als het WSNP-verzoek worden bestreden. Zo bezien is het van het in cassatie aangevoerde nadeel voor [verzoekster] dat zij bij intrekking van het WSNP-verzoek geconfronteerd zou worden met beëindiging van de gemeentelijke schuldhulpverlening en tegen een wachttijd voor een hernieuwd WSNP-verzoek zou aanlopen van tussen de zes en twaalf maanden, niet aan de orde. Als bij afzonderlijk vonnis afwijzend wordt beslist op toelating tot de schuldsaneringsregeling, kan zij dit tezamen met de afwijzing van het dwangakkoord in appel aan de orde stellen. Indien zij wel wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, speelt bedoeld nadeel niet (maar kan zij bij de huidige stand van het recht niet meer in beroep tegen de afwijzing van het dwangakkoord, zoals we hiervoor hebben gezien).
3.29
Ik kom tot de conclusie dat de klachten van onderdeel I, als aangevuld naar aanleiding van het zittingsp-v van het hof, niet tot cassatie kunnen leiden. Dat tekent ook het lot van het louter voortbouwende onderdeel II.
4.Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
1.De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1 en 3.2 van het bestreden arrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 7 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10152 en aan rov. 2.1 t/m 2.4 van het vonnis in eerste aanleg: Rb. Midden-Nederland (locatie Utrecht) 3 november 2020, zaaknummer C/16/499453 / FT RK 20/362. Het procesverloop is gebaseerd op rov. 1.1, 1.2, 2.1, 2.2 en 2.3 van het bestreden arrest en rov. 1.1, 1.2 en 3.5 van het vonnis.
2.Tijdelijke regeling insolventiezaken rechtbanken (versie 26 juni 2020, beschikbaar op www.rechtspraak.nl), p. 7: “De behandeling van dwangakkoord zal in beginsel doorgang vinden. Deze verzoeken zullen zoveel mogelijk schriftelijk worden afgedaan. Betrokken partijen ontvangen hierover bericht en dienen een formulier in te vullen. Wanneer de rechtbank nog aanvullende vragen heeft, zal een zitting plaatsvinden waarbij partijen worden gehoord per telefonische (beeld)verbinding. Wanneer de rechtbank het nodig vindt dat er toch een fysieke zitting plaats vindt, zal de zaak worden aangehouden.”
3.Beroepschrift van [verzoekster] van 10 november 2020, tweede alinea onder het kopje ‘Ontvankelijkheid’.
4.Art. 292 lid 5 FwPro bepaalt dat de schuldenaar binnen acht dagen cassatieberoep kan instellen van een arrest waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, en indien van toepassing ook het verzoek om een gedwongen schuldregeling, is afgewezen. Die termijn is naar het oordeel van Uw Raad van overeenkomstige toepassing als de schuldenaar opkomt tegen uitsluitend de afwijzing van zijn verzoek om een dwangakkoord: HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966, NJ 2013/43, JOR 2013/123 m.nt. M.Y. Nethe (
5.Van der Wiel & Dempsey, in: Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/137 en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/287.
15.Art. 3.2.3.6. Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (in zowel de versie geldig tot als de versie geldig vanaf 1 januari 2021, te vinden op
16.Zie ook Kamerstukken II 2006-2007, 29 942, nr. 10 (Amendement van de leden Weekers en Noorman-Den Uyl); Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, C (MvA), p. 6-7; art. 3.2.3.6. Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken.
18.In de literatuur is erop gewezen dat Uw Raad niet de situatie bespreekt dat de rechtbank beide verzoeken afwijst, maar alleen wordt geappelleerd tegen de afwijzing van het verzoek tot gedwongen instemming met een schuldregeling. B.J. Engberts, Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht, diss. Leiden, 2015, p. 227-228.
19.In gelijke zin A.J. Noordam, Beoordeling dwangakkoord losgekoppeld van beoordeling saneringsverzoek, WSNP Periodiek 2013/01, p. 19.
20.Vgl. ook Engberts, GS Faillissementswet, art. 292 FwPro, aant. 4.
21.Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 1.
22.Kamerstukken II 2006-2007, 29 942, nr. 10 (Amendement van de leden Weekers en Noorman-Den Uyl).
23.Kamerstukken II 2006-2007, 29 942, nr. 33 (Brief met reactie op amendementen), p. 3.
24.Handelingen II 2006-2007, nr. 19, p. 1462.
25.Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, A (Gewijzigd voorstel van wet).
26.Zie ook : HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966, NJ 2013/43, JOR 2013/123 m.nt. M.Y. Nethe (
27.Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 4 (Advies RvS en nader rapport), p. 3.
28.Laatst bedoelde aanvulling is een aanvulling op deze passage uit de MvT, Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 23: “(…) Is het verzoek van de schuldenaar tot oplegging van gedwongen medewerking afgewezen, dan wordt vervolgens steeds diens subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in behandeling genomen (artikel 287a, zevende lid). Hij heeft dus geen mogelijkheid in beroep te gaan tegen de afwijzing van het verzoek tot gedwongen medewerking. De verzoekschriftprocedure in de schuldsaneringsregeling dient zo efficiënt mogelijk gevoerd te kunnen worden. Is een schuldenaar eenmaal toegelaten, dan dient de schuldsaneringsregeling zonder verder oponthoud door een hangend hoger beroep – of door een voorlopige toepassing, die immers door dit wetsvoorstel geschrapt wordt – van start te gaan. (…)”
29.Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 23.
30.Vgl. de verwijzing naar art. 292 lid 3 FwPro in Gerechtshof Amsterdam 25 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:5174 (
31.Zie ook A.R. van der Winkel en J.M. Marsman, Schuldsanering natuurlijke personen, Serie Praktijkboek Insolventierecht deel 9, 2011 p. 32: “Indien de rechtbank het [A-G: primaire] verzoek afwijst zal aan de schuldenaar worden verzocht of deze zijn Wsnp verzoek handhaaft waarna, voor zover van toepassing, tot beoordeling van dat verzoek zal worden overgegaan. De schuldenaar heeft aldus alsnog zelf een beslismoment of hij daadwerkelijk de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wil.”
32.Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7 (NaV), p. 87.
33.Verzoekschrift tot cassatie, p. 3, derde volledige alinea.
37.Verzoekschrift tot cassatie, p. 3 aan het einde en p. 4.
38.Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 4 (Advies RvS en nader rapport), p. 3: “(…) De mogelijkheid een gedwongen schuldregeling te vragen dient gezien te worden als een onafhankelijke, laatste toetsing door de rechter van een weigering om in het minnelijke traject akkoord te gaan met een minnelijke regeling. Het zou te ver gaan om hiervoor een zelfstandige beroepsprocedure in het leven te roepen. Dit zou de procesgang van de schuldsaneringsaanvraag teveel compliceren en een nieuwe belasting van de rechterlijke macht opleveren, wat het wetsvoorstel juist beoogt te voorkomen. (…)”