De veroordeelde is bij arrest van het hof op 18 augustus 2016 verplicht tot betaling van €17.000,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit arrest is onherroepelijk geworden na niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep door de Hoge Raad op 18 april 2017.
Het openbaar ministerie heeft op 24 september 2019 een vordering ingediend tot verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang ex artikel 577c (oud) Sv wegens het niet voldoen aan de betalingsverplichting. Het hof heeft op 3 februari 2020 de vordering behandeld in raadkamer, waarbij de veroordeelde niet is verschenen.
Het hof oordeelt dat op grond van overgangsrecht uit de Invoeringswet USB artikel 577c (oud) Sv blijft gelden voor ontnemingsmaatregelen opgelegd vóór 1 januari 2020. Gezien het uitblijven van betaling en het ontbreken van volledig verhaal op het vermogen, en het niet aannemelijk maken van betalingsonmacht, is er sprake van betalingsonwil.
Daarom wordt de vordering tot verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang toegewezen voor de duur van 120 dagen, conform de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.