Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant] ,
[appellante] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat centraal of een overboeking van €272.660,73 van de nalatenschap van een overleden erflaatster aan haar nicht appellante als schenking kan worden aangemerkt of onverschuldigde betaling betreft. De rechtbank had geoordeeld dat geen schenking was gedaan, maar dat sprake was van onverschuldigde betaling en dat appellante haar aandeel in het vorderingsrecht had verbeurd wegens opzettelijke verzwijging.
Het hof bevestigt dit oordeel en wijst de grieven van appellanten af. Het hof stelt vast dat appellante wist dat sprake was van een vordering wegens onverschuldigde betaling, maar dit verzweeg. Hierdoor verbeurde zij haar aandeel in deze vordering. De verjaring van de vordering is gestuit door de opzettelijke verzwijging, waardoor de vordering niet verjaard is.
Daarnaast oordeelt het hof dat de executeur appellanten onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig en volledig te informeren over de vermogensverschuiving. Echter leidt dit niet tot schadevergoeding omdat de situatie voor geïntimeerde uiteindelijk gunstiger is dan zonder deze handelwijze.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 25 april 2018 en veroordeelt partijen in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de overboeking geen schenking was, maar onverschuldigde betaling, en veroordeelt appellante tot terugbetaling van €272.660,73 met wettelijke rente aan geïntimeerde.