Belanghebbende stelde bezwaar en beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €156.000 voor het jaar 2018. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het bezwaar niet door belanghebbende zelf zou zijn ingediend, maar door een derde, en er geen geldige machtiging voor het beroep was overgelegd.
Het hof oordeelt dat het bezwaar wel (mede) namens belanghebbende is ingediend, gelet op de aanhef van het bezwaarschrift en de bijgevoegde stukken. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De machtiging voor het beroep is uiteindelijk alsnog overgelegd en wordt als bekrachtiging van het beroep gezien.
De WOZ-waarde is beoordeeld aan de hand van de aankoopprijs van belanghebbende in 2016 en verkoopprijzen van vergelijkbare appartementen. Het hof acht de vastgestelde waarde van €156.000 niet te laag, ondanks de hogere verkoopprijs in 2018, omdat deze na de waardepeildatum ligt en de woning toen is gemoderniseerd.
Verzoeken om een dwangsom wegens te late uitspraak en om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen omdat geen ingebrekestelling is overgelegd en de redelijke termijn niet is overschreden.
Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep ontvankelijk maar ongegrond, wijst de verzoeken af en veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten.