Verzoekster was sinds 1991 in dienst bij de Orde van Advocaten en had een pensioenontslagbeding in haar arbeidsovereenkomst dat de arbeidsovereenkomst liet eindigen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Door wetswijzigingen liepen de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd uiteen, waardoor onduidelijkheid ontstond over de betekenis van het pensioenontslagbeding.
Verzoekster stelde dat de arbeidsovereenkomst pas zou eindigen bij het bereiken van de pensioenrichtleeftijd (68 jaar), terwijl de Orde stelde dat dit de AOW-leeftijd (66 jaar en 4 maanden) betrof. Het hof paste de Haviltex-maatstaf toe en concludeerde dat partijen na wetswijzigingen gezamenlijk hadden vastgesteld dat de AOW-leeftijd als pensioengerechtigde leeftijd gold.
Verzoeksters argumenten over een pensioengat en onduidelijkheid werden verworpen, mede omdat zij als jurist goed op de hoogte was van haar pensioenrechten en de wetswijzigingen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde verzoekster in de kosten van het hoger beroep.