ECLI:NL:GHARL:2021:3390

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 april 2021
Publicatiedatum
8 april 2021
Zaaknummer
Wahv 200.244.926/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WahvArt. 7:17 AwbArt. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sanctie voor snelheidsovertreding terecht aan kentekenhouder opgelegd ondanks verhuur via digitaal platform

De betrokkene maakte bezwaar tegen een sanctie van €223 wegens een snelheidsovertreding op 25 juni 2017 met een voertuig dat hij als kentekenhouder had geregistreerd. Hij stelde dat de hoorplicht was geschonden en dat hij niet bedrijfsmatig verhuurde via het platform Motoshare.

Het hof oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat de betrokkene niet had aangegeven gehoord te willen worden, ondanks onvolledige informatie in de rechtsmiddelverwijzing. Verder werd vastgesteld dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd was en de gebruikte meetapparatuur correct geijkt was.

De verhuur via Motoshare werd niet als bedrijfsmatig aangemerkt, waardoor artikel 8 Wahv Pro niet van toepassing was. De betrokkene kon zich dus niet beroepen op een huurovereenkomst om aansprakelijkheid te ontlopen. Het hof verklaarde het beroep tegen de officier van justitie gegrond, vernietigde diens beslissing, maar verklaarde het beroep tegen de sanctie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De sanctie voor de snelheidsovertreding wordt gehandhaafd en terecht aan de kentekenhouder opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.244.926/01
CJIB-nummer
: 208746887
Uitspraak d.d.
: 8 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden. De gemachtigde merkt daarbij op dat in de rechtsmiddelverwijzing op de inleidende beschikking stond vermeld dat de betrokkene kon aangeven dat hij het beroep telefonisch wilde toelichten maar dat de betrokkene dat niet heeft gedaan omdat hij in persoon gehoord wilde worden. De gemachtigde verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 3 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1777. De gemachtigde stelt dat de inadequate omschrijving van het recht te worden gehoord voor de betrokkene reden is geweest om niet te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop kan aan het niet doen van een verzoek om te worden gehoord niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van artikel 7:17, onder d, van de Awb van horen mocht afzien. Nu evenmin één van de andere gevallen uit artikel 7:17 Awb Pro aan de orde is, is sprake van schending van de hoorplicht.
2. Het hof stelt vast dat de betrokkene middels het Digitaal Loket administratief beroep heeft ingesteld en dat hij niet heeft aangegeven dat hij wenst te worden gehoord door de officier van justitie.
3. Het is het hof ambtshalve bekend dat de rechtsmiddelenverwijzing onder een inleidende beschikking in dit verband de volgende passage bevat: "Eventueel kunt u aangeven of u uw beroep telefonisch wilt toelichten (gehoord worden). Vermeld dit dan in uw brief samen met het telefoonnummer waarop u tijdens kantooruren bereikbaar bent". Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 18 april 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:3027, stelt het hof vast dat de mededeling op de inleidende beschikking onvoldoende tot uitdrukking brengt wat het recht om te worden gehoord inhoudt.
4. Voorgaande betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond zal verklaren en ook die beslissing zal vernietigen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter behoeven derhalve geen bespreking meer.
5. Thans staan ter beoordeling van het hof de door de gemachtigde opgeworpen bezwaren tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie van € 223,- is opgelegd voor: “Overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 24 km/h. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 juni 2017 om 9.04 uur op de N217 in Heinenoord met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
6. De gemachtigde voert aan dat er geen niet geanonimiseerde akte van beëdiging van de betreffende buitengewoon opsporingsambtenaar online is te vinden, zodat niet kan worden vastgesteld of deze wel beëdigd en bevoegd is. Daarbij komt dat ook niet blijkt dat [B] , de functionaris die de ambtenaar heeft beëdigd, daartoe bevoegd was. De gemachtigde wijst op het arrest van het hof van 23 mei 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2018:4776).
7. Zoals het hof heeft overwogen in het arrest van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. Dat de gemachtigde alleen een geanonimiseerde akte van beëdiging van de ambtenaar heeft kunnen achterhalen, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. In zoverre faalt het verweer.
8. Verder overweegt het hof dat het hof in een arrest van 21 november 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:10129) op basis van de door de advocaat-generaal uiteengezette mandaatconstructie is gebleken dat deze specifieke functionaris [B] bevoegd was om onder zijn dienst ressorterende buitengewoon opsporingsambtenaren te beëdigen. Daarmee is ook dit het verweer afdoende weerlegd
.
9. De gemachtigde voert voorts aan dat de betrokkene ontkent te hard te hebben gereden en dat hij er van uitgaat dat de gebruikte apparatuur niet goed is geijkt. De gemachtigde merkt daartoe op dat de serienummers die op de foto staan vermeld niet gelijk zijn. Er staat immers 60053/60433 in plaats van 60433/60433 op de foto vermeld. De gemachtigde wijst daarbij op de op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2012:BZ6620, -2017:1777, - 2017:4167 gepubliceerde arresten van het hof.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Hierin is onder andere vermeld dat de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid is vastgesteld met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel (radarapparatuur die is gemonteerd in een flitspaal) en dat deze 74 km per uur bedroeg. Verder bevat het dossier een foto van de gedraging, met een uitvergroting van het kenteken van het voertuig van de betrokkene. De bij de foto vermelde gegevens van datum, tijd, plaats en (afgelezen) snelheid, stemmen overeen met de in het zaakoverzicht daaromtrent vermelde gegevens. Voorts is op de foto het serienummer 60053/60433 vermeld.
11. Het verweer dat de apparatuur niet (correct) is geijkt, treft geen doel. Dat op de foto van de gedraging altijd tweemaal het nummer van de antenne-eenheid zou moeten staan, zoals door de gemachtigde is betoogd, is in zijn algemeenheid niet juist. Uit de arresten waar de gemachtigde naar verwijst, is dit ook niet af te leiden. Het betoog van de gemachtigde geeft dan ook geen aanleiding om te betwijfelen dat, zoals in het zaakoverzicht is vermeld, de gebruikte apparatuur (correct) is geijkt.
12. Ten slotte voert de gemachtigde aan dat de rechtbank er aan voorbij gaat dat de betrokkene een eigen verhuurbedrijf heeft en de motor heeft verhuurd via een contract. De gemachtigde verwijst daarbij naar de door hem overgelegde huurovereenkomst.
13. Artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
“De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig was.”
14. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst in de zin van artikel 8, aanhef en onder b, Wahv. Met name zijn geen feiten of gegevens aannemelijk gemaakt waaruit kan volgen dat de betrokkene een bedrijf of beroep heeft in de uitvoering waarvan hij het betreffende voertuig verhuurt. Het systeem van Motoshare, waar de gemachtigde bij de kantonrechter naar heeft verwezen, kan niet als bedrijfsmatige verhuur worden aangemerkt, nu dit volgens de site (www.motoshare.nl) een digitaal platform is waarop
particuliereeigenaren hun motor kunnen verhuren (vgl. het arrest van het hof van 27 november 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10158). Daarom komt de betrokkene geen beroep toe op grond van artikel 8 van Pro de Wahv en is hij als kentekenhouder aansprakelijk voor de sanctie.
15. De bezwaren tegen de inleidende beschikking treffen geen doel. Het beroep is ongegrond.
16. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.