Belanghebbende heeft BPM betaald voor een gebruikte personenauto met een kilometerstand van 3, maar de Inspecteur stelde dat het een nieuwe auto betrof. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het hoger beroep werd ingesteld tegen deze uitspraak.
Tijdens de procedure is een nader stuk ('pleitnota') twee werkdagen voor de zitting ingediend, maar de rechtbank heeft dit buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening. Het hof bevestigt dat dit terecht was, gelet op de procesregels en het belang van een doelmatige procesgang.
Het hof oordeelt dat de auto als nieuw moet worden aangemerkt omdat deze nauwelijks is gebruikt. Belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd voor toepassing van artikel 16a Wet BPM, dat een lager tarief kan bieden bij bepaalde voorwaarden. Ook het beroep op het Unierecht en verzoeken om rentevergoeding, immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn en vergoeding van proceskosten worden afgewezen.
Het hof bevestigt dat het geheven griffierecht geen onoverkomelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter en ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank gehandhaafd.