Belanghebbende heeft BPM betaald bij registratie van een gebruikte Mercedes Benz importauto en verzocht om vermindering van de BPM op basis van een taxatierapport en andere waardeberekeningen. De Inspecteur wees bezwaar af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigt het Hof dat het vooraf betalen van BPM bij registratie niet in strijd is met het Unierecht en dat de heffing niet discriminerend is ten opzichte van binnenlandse voertuigen.
Het Hof oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden omdat belanghebbende en zijn gemachtigde herhaaldelijk uitnodigingen voor hoorgesprekken niet accepteerden en op een hoorgesprek geen inzage wilden nemen in het dossier. De stelling dat de BPM verminderd moet worden op basis van een ex-rental kwalificatie, koerslijsten of lagere referentiewaarden wordt verworpen omdat onvoldoende bewijs is geleverd en de taxateur de waardevermindering al heeft verwerkt.
Verder wordt het betoog dat interne compensatie van schadewaardevermindering verboden is op grond van het arrest Nicula verworpen. Het Hof bevestigt dat waardevermindering wegens schade volgens de Uitvoeringsregeling BPM op 72% van het schadebedrag wordt vastgesteld en dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een hogere waardevermindering. De verzoeken om rentevergoeding over griffierecht en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding worden afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.