Uitspraak
[verzoekster],
Meander,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De werknemer was sinds 2001 in dienst en raakte in 2016 arbeidsongeschikt. Na toekenning van een WIA-uitkering in 2018 stopte de werkgever de loonbetaling, maar het dienstverband bleef bestaan. De werknemer verzocht in 2017 bij de kantonrechter ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verstoorde verhoudingen, zonder transitievergoeding te vragen. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 februari 2019 zonder vergoeding toe te kennen.
De werknemer stelde in hoger beroep dat zij alsnog recht had op een transitievergoeding op grond van de Xella-beschikking van de Hoge Raad. Het hof oordeelde dat het verzoek om transitievergoeding te laat was ingediend, na het verstrijken van de dwingende vervaltermijn van drie maanden. Het beroep op redelijkheid en billijkheid faalde, mede omdat de werknemer geen gronden had gesteld die het verstrijken van de termijn konden rechtvaardigen.
Daarnaast wees het hof het verzoek om een billijke vergoeding op grond van artikel 7:611 BW Pro af. De werknemer had het dienstverband bewust niet met wederzijds goedvinden beëindigd omdat zij een billijke vergoeding wilde, wat haar eigen opstelling was. Er was geen sprake van verwijtbaar handelen door de werkgever. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de werknemer werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van de arbeidsongeschikte werknemer wordt afgewezen en zij krijgt geen transitievergoeding of billijke vergoeding toegekend.