Conclusie
1.Inleiding
Stoof/Mammoet-arrest van de Hoge Raad. De laatste prejudiciële vraag is voorgelegd voor het geval de Hoge Raad die benadering niet mogelijk of wenselijk acht. Deze laatste vraag nodigt uit tot het schetsen van de omstandigheden waaronder een werkgever, gelet op zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen (art. 7:611 BW Pro), gehouden kan zijn om akkoord te gaan met een voorstel van de werknemer om het ‘slapende dienstverband’ met wederzijds goedvinden te beëindigen, wanneer dit voorstel inhoudt dat de werkgever aan hem een ontslagvergoeding betaalt ter hoogte van de transitievergoeding die de werkgever op grond van de compensatieregeling vergoed zal krijgen.
2.Feiten en procesverloop
Stoof/Mammoetredelijkerwijs gehouden is om in te stemmen met het redelijke voorstel van Werknemer tot beëindiging van de arbeidsrelatie onder toekenning van de transitievergoeding, in hoogte beperkt tot het bedrag waarvoor Xella op grond van de Wet compensatie transitievergoeding door het UWV gecompenseerd zal worden. Ten slotte is door Werknemer verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.
4.9 Alvorens tot een beoordeling over te gaan dient het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad aan de orde te komen. De kantonrechter is doordrongen van de omvang en de ernst van het probleem van de slapende dienstverbanden. Het moet immers meer dan aannemelijk worden geacht dat achter ieder slapend dienstverband een werknemer, al dan niet met gezin, schuil gaat die door hem/haar overkomen omstandigheden werkloos is geworden - met alle financiële gevolgen van dien - en het hem/haar bij wet toegekende recht op een transitievergoeding niet geldend kan maken. Xella heeft het bestaan en de genoemde aantallen van slapende dienstverbanden niet weersproken. Gelet op de tot dusver bestendige jurisprudentie lijkt de route via de ernstige verwijtbaarheid en de schending van de normen van goed werkgeverschap voor werknemers een doodlopende. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de compensatieregeling daarbij over het algemeen nog geen concrete rol speelde. Dat is nu anders en dat leidt tot onderling tegengestelde uitspraken, getuige de recente vonnissen van de voorzieningenrechter te Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2019:3109; AR Updates 2019-0333) en de kantonrechter te Zwolle (ECLI:NL:RBOVE:2019:1021; AR Updates 2019-0334). De thans door [Werknemer] gekozen route via een redelijk voorstel in de zin van Stoof-Mammoet is naar eigen zeggen van de gemachtigde mr. Sagel nog niet eerder voorgelegd. De kantonrechter is het met [Werknemer] eens dat gelet op de veelheid aan zaken betreffende slapende dienstverbanden er een grote maatschappelijke behoefte bestaat aan een richtinggevend standpunt van de Hoge Raad zodat de werkgevers en de werknemers alsook de rechtspraktijk een handvat hebben bij de verdere afwikkeling van deze zaken. Het stellen en beantwoorden van prejudiciële vragen acht de kantonrechter dan ook essentieel om tot een goede beoordeling van deze zaak te komen en voorts om tot een algemeen bruikbare leidraad te komen welke de eenheid van rechtspraak op dit onderwerp zal kunnen bevorderen. De kantonrechter kan zich vinden in de namens [Werknemer] voorgestelde vragen en zal die overnemen.
1. Geldt de in HR 11 juli 2008, NJ 2011, 185 (Stoof/Mammoet) (ECLI:NL:HR:2008:BD1847) ontwikkelde maatstaf ter beoordeling of een werknemer op grond van artikel 7:611 BW Pro gehouden is om een voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst te aanvaarden dat hem door de werkgever in verband met gewijzigde omstandigheden op het werk is gedaan, ook in het spiegelbeeldige geval, waarin de werknemer in verband met zulke gewijzigde omstandigheden een wijzigingsvoorstel doet aan de werkgever? Met andere woorden: is een werkgever, wanneer (i) sprake is van gewijzigde omstandigheden op het werk waarin de werknemer als goed werknemer aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst, (ii) geoordeeld moet worden dat het voorstel van de werknemer, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk is en (iii) niet gezegd kan worden dat aanvaarding van dat voorstel redelijkerwijze niet van de werkgever gevergd kan worden, op grond van art. 7:611 BW Pro verplicht dat voorstel te aanvaarden?
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
Stoof/Mammoet-arrest
4.Ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid vóór 1 juli 2015
Keuze tussen twee ontslagroutes
Indien de werkgever als grond voor opzegging van de arbeidsverhouding aanvoert dat de werknemer tengevolge van ziekte of gebreken niet meer in staat is aan de gestelde functie-eisen te voldoen, kan de toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding slechts worden verleend indien de werkgever:
deze ongeschiktheid aannemelijk heeft gemaakt en aannemelijk is dat binnen zesentwintig weken geen herstel zal optreden, en
aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs niet de mogelijkheid heeft de
binnende onderneming van de eigen werkgever. Bij de beoordeling van een ontslagaanvraag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid betrok het UWV dus alleen de re-integratiemogelijkheden in het zogenoemde eerste spoor. Het UWV was in een ontslagprocedure niet bevoegd om ook de tweede spoor re-integratie inspanningen (dat wil zeggen: herplaatsing bij een andere werkgever) te toetsen. [11]
Chromalloy-arrest oordeelde de Hoge Raad echter dat de enkele omstandigheid dat de werkgever de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid van de werknemer beëindigt, zonder daarbij aan de werknemer een ontslagvergoeding toe te kennen, onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag: [12]
3.5 Onderdeel 1.2 keert zich tegen het oordeel in rov. 4.7 van het bestreden arrest, dat de enkele omstandigheid dat [eiser] na een langdurig dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid is ontslagen, op zichzelf beschouwd geen grond oplevert voor het toekennen van een vergoeding. Het onderdeel faalt omdat dit oordeel juist is. In zijn arrest van 25 juni 1999, nr. C98/020, NJ 1999, 601, waarop Chromalloy zich in dit verband met name heeft beroepen, heeft de Hoge Raad niet anders geoordeeld, maar de lengte van het dienstverband van de betrokken werknemer (bijna 25 jaar) in aanmerking genomen in samenhang met de door de rechtbank vastgestelde omstandigheden (i) dat de werknemer na dat lange dienstverband te oud en te zwak was geworden om zijn - naar onweersproken vaststond: zware en slecht voor de gezondheid zijnde - werk nog langer te verrichten, (ii) de leeftijd van de werknemer, (iii) de voor hem beperkte mogelijkheid om ander (passend) werk te vinden, en ten slotte (iv) dat de werkgever aan de werknemer slechts een vergoeding van een maand brutosalaris had aangeboden.
Chromalloy-arrest, in samenhang met het
Boulidam-arrest uit 1999 waarnaar in rov. 3.5 wordt verwezen. [13]
veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen” (art. 7:685 lid Pro 2 (oud) BW). De criteria in art. 5:2 Ontslagbesluit Pro hadden ‘reflexwerking’ in de ontbindingsprocedure. Dit bracht mee dat de kantonrechter vaak aan dezelfde criteria toetste als het UWV, maar hij was daartoe niet verplicht. [15] Hoewel de kantonrechter – in tegenstelling tot het UWV – wel de mogelijkheid had om aan de werknemer een ontbindingsvergoeding toe te kennen, berekend op basis van de ‘kantonrechtersformule’, deed hij dit in beginsel niet bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. [16]
binnenzijn onderneming te re-integreren, ongeacht of de werknemer nog werk verrichte, een WGA-uitkering ontving of niet voor een WIA-uitkering in aanmerking kwam, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Wel ging het na de verplichte loondoorbetalingsperiode nog slechts om de re-integratie eerste spoor. De verplichtingen ten aanzien van het tweede spoor golden ingevolge art. 7:658a (oud) lid 1, tweede volzin, BW alleen
tijdensde periode van loondoorbetaling. [17] Ook uit de wetsgeschiedenis van onder andere de WIA kan worden afgeleid dat de verplichting tot re-integratie
binnende onderneming van de werkgever niet was begrensd tot de periode van loondoorbetaling. [18] Ook blijkt daaruit dat deze beperking tot de loondoorbetalingsperiode wèl gold voor de re-integratie tweede spoor. [19]
Roovers/De Toekomst. [22] Hetzelfde geldt ten aanzien van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer die aanbiedt om een deel van de tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, óók wanneer de werkgever hiervoor de nodige organisatorische maatregelen moet treffen. [23] Verder besliste de Hoge Raad in het arrest
Van Haaren/Cehavedat de werkgever op grond van goed werkgeverschap ook zal moeten ingaan op een aanbod van een blijvend arbeidsongeschikte werknemer om andere passende arbeid te verrichten. De werknemer zal de inhoud van die passende arbeid dan wel ‘voor zover doenlijk’ moeten specificeren. Ook hier geldt echter dat werkgever zich erop kan beroepen dat in redelijkheid van hem niet kan worden gevergd dat hij van het aanbod van de werknemer gebruikmaakt. [24]
5.Loondoorbetaling bij ziekte
Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.”
wachttijdvoor de Wet WIA (art. 23 Wet Pro WIA). [31] Ook die is 104 weken en gaat lopen vanaf de eerste werkdag waarop de werknemer wegens ziekte niet heeft gewerkt of het werken tijdens werktijd heeft gestaakt (art. 23 lid 2 Wet Pro WIA). In de regel kan een werknemer dus pas na twee jaar lang onafgebroken arbeidsongeschikt te zijn geweest en (een deel van) zijn loon doorbetaald te hebben gekregen (art. 7:629 lid 1 BW Pro) in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA. [32]
verlengdeloondoorbetaling (als bedoeld in art. 7:629 lid 11 BW Pro, zie hierna onder 5.4) is geëindigd, zo blijkt uit art. 43 onder Pro b Wet WIA. De wachttijd van de WIA wordt in dat geval dus langer dan 104 weken. [33]
verkort(art. 23 lid 6 en Pro 66 lid 2 t/m 6 Wet WIA). Verkorting van de wachttijd kan aan de orde zijn indien al snel na het intreden van de arbeidsongeschiktheid duidelijk is dat de werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in art. 4 lid 2 WIA Pro. Een verkorte wachttijd bedraagt minimaal 13 en maximaal 78 weken (art. 23 lid 6 Wet Pro WIA). Om in aanmerking te komen voor een verkorting van de wachttijd, moet de verzekerde werknemer zelf een aanvraag, voorzien van een verklaring van de bedrijfsarts, indienen bij het UWV (art. 23 lid 6 in Pro verbinding met art. 66 lid Pro 3-5 Wet WIA).
6.Wet WIA
werknemers. Voor het werknemersbegrip verwijst de Wet WIA naar de Ziektewet (art. 8 lid 1 Wet Pro WIA), maar er zijn ook enkele afwijkingen. [40]
Na twee jaar ziekte wordt namelijk bepalend in hoeverre iemand, ondanks zijn beperkingen, nog in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid het inkomen te verdienen dat een gezonde, met hem vergelijkbare persoon verdient. Het gaat dus om verlies van de verdiencapaciteit. Dat is in wezen een economisch begrip.”
volledigen
duurzaamongeschikt zijn in de zin van art. 4 lid 1 Wet Pro WIA (art. 47 lid Pro 1, aanhef en onder b, Wet WIA). ‘Volledig’ arbeidsongeschikt betekent dat een verzekerde 80-100% arbeidsongeschikt is en dus slechts in staat is om met arbeid ten hoogte 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. [44] Onder ‘duurzaam’ wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat (Art. 4 leden Pro 2 en 3 Wet WIA). De IVA-uitkering bedraagt per kalendermaand 75% van het maandloon (art. 51 Wet Pro WIA). Zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, duurt de IVA-uitkering in beginsel tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. [45]
duurzaamarbeidsongeschikt zijn, in aanmerking komen voor een WGA‑uitkering (art. 54 lid Pro 1, aanhef en onder b, Wet WIA in verbinding met art. 5 Wet Pro WIA). [47] Uit het voorgaande blijkt dat werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn niet in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA. [48] Zij blijven in principe in dienst van de werkgever. [49] Worden zij toch ontslagen dan kunnen zij mogelijk aanspraak maken op een WW-uitkering, eventueel gevolgd door een bijstandsuitkering. [50]
loongerelateerde uitkeringis de referte-eis in art. 58 Wet Pro WIA. [52] Bepalend is, kort gezegd, of een werknemer voordat hij ziek werd in ten minste 26 van de 36 weken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gehad. [53] De duur van de loongerelateerde uitkering is ten minste drie maanden en ten hoogte 24 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan (art. 59 Wet Pro WIA). De hoogte van de loongerelateerde uitkering is in de eerste twee maanden 75% en vanaf de derde maand 70% van het bedrag dat via de formule, opgenomen in art. 61 lid 1 Wet Pro WIA, wordt berekend.
loonaanvullingsuitkeringof een
vervolguitkering(art. 60 lid Pro 1, aanhef en onder a en b, Wet WIA). [54]
loonaanvullingsuitkeringis bedoeld voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis in art. 60 lid 2 Wet Pro WIA of voor wie op grond van art. 60 lid 3 Wet Pro WIA geen inkomenseis geldt (in het geval van volledige arbeidsongeschiktheid). Art. 60 lid 2 Wet Pro WIA bepaalt dat de inkomenseis voor de verzekerde die met arbeid meer dan 20% kan verdienen van het maatmaninkomen per uur, gelijk is aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. De hoogte van de loongerelateerde uitkering kan op drie verschillende manieren worden berekend, afhankelijk van de verdiensten en de mate van arbeidsongeschiktheid (art. 61 leden Pro 2-6 Wet WIA). In beginsel geldt: hoe meer de verzekerde verdient, hoe hoger zijn totale inkomen. [55] Zolang de verzekerde aan de voorwaarden voldoet, kan de loongerelateerde uitkering tot aan de pensioengerechtigde leeftijd duren. [56]
vervolguitkeringis bedoeld voor de verzekerde die niet aan de inkomenseis als bedoeld in art. 60 lid 2 Wet Pro WIA voldoet (art. 60 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW) en die dus niet in aanmerking komt voor een loonaanvullingsuitkering. De hoogte van de vervolguitkering wordt berekend op grond van de formule in art. 62 lid Pro 1, in verbinding met art. 61 lid 6 Wet Pro WIA. De vervolguitkering is dus een percentage van het wettelijk minimumloon of van het maandloon als dat lager is dan het wettelijk minimumloon. [57] Ook de vervolguitkering kan in beginsel tot aan de pensioengerechtigde leeftijd duren (art. 43 onder Pro g Wet WIA). [58]
Eerder in deze Memorie van Toelichting (hoofdstuk 3) is reeds gemeld dat één van de uitgangspunten van de WGA is, dat werken voor werkgever en werknemer financieel aantrekkelijker moet zijn dan niet werken, en meer werken aantrekkelijker dan minder werken. Financiële prikkels moeten werkgever en werknemer aanzetten tot volumebeheersing, in hun eigen financiële belang. (…)
De eigenrisicodrager bevordert ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in artikel 82, eerste lid, die recht heeft op een WGA-uitkering, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf of in het bedrijf van een andere werkgever.”
Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, treft de eigenrisicodrager maatregelen gericht op behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid van de verzekerde.”
7.Ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid onder de Wwz
ziekte of gebreken van de werknemer waardoor hij niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, mits de periode, bedoeld in artikel 670, leden 1 en 11, is verstreken en aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht;”
periode, bedoeld in artikel 670, leden 1 en 11, is verstreken”, verwijst naar het opzegverbod tijdens ziekte. [93] Het opzegverbod tijdens ziekte is opgenomen in art. 7:670 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW en luidt, voor zover van belang, als volgt:
De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid:a. ten minste twee jaren heeft geduurd (…).”
transitievergoedingverschuldigd is.
8.Transitievergoeding
In reactie op de vragen van de leden van de D66-fractie merkt de regering op dat de transitievergoeding niet beschouwd dient te worden als een aanvullende inkomensvoorziening bij werkloosheid. Dit blijkt enkel al uit het feit dat de transitievergoeding verschuldigd is door de werkgever ongeacht het antwoord op de vraag of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst aansluitend werkloos is of aansluitend een andere arbeidsovereenkomst aan gaat. In beide genoemde situaties is de werkgever de transitievergoeding verschuldigd.”
Kolom-beschikking [109] geoordeeld dat de mogelijkheid van gedeeltelijk ontslag met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding moet worden aanvaard voor het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer. [110] Volgens de Hoge Raad valt hierbij te denken aan het noodzakelijkerwijs gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden en aan blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer. [111] Voor de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding maakt het niet uit of de vermindering van de arbeidsduur heeft plaatsgevonden in de vorm van (i) een gedeeltelijke beëindiging, (ii) een algeheel ontslag gevolgd door een nieuwe, aangepaste arbeidsovereenkomst dan wel (iii) aanpassing van de arbeidsovereenkomst. [112] Tot slot heeft de Hoge Raad ‘
met het oog op de hanteerbaarheid’ nog overwogen dat het bij een substantiële vermindering van de arbeidstijd gaat om een vermindering van de arbeidstijd met ten minste twintig procent en bij een structurele vermindering van de arbeidstijd om een vermindering die naar redelijke verwachting blijvend zal zijn. [113]
9.Transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid
De VAAN vraagt wat de rechtvaardiging is voor de standaard toekenning van een transitievergoeding in de situatie waarin een werknemer na twee jaar (volledig) arbeidsongeschikt te zijn geweest een uitkering op grond van de Regeling inkomensvoorziening volledige en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) ontvangt.
Stichting Katholieke Scholengroep-beschikking van 5 oktober 2018 geoordeeld dat ook in het geval het dienstverband van een werknemer vlak voor de pensioengerechtigde leeftijd wordt beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, recht bestaat op de transitievergoeding, ondanks dat die vergoeding hoger is dan het loon dat de werknemer tot zijn pensioen zou hebben ontvangen wanneer hij in dienst zou zijn gebleven. [117] Overwogen werd het volgende (mijn onderstreping):
3.4.3De regeling van de transitievergoeding in art. 7:673 BW Pro is dwingendrechtelijk van aard. De wetgever heeft gekozen voor een abstract en gestandaardiseerd stelsel, waarin de voorwaarden voor het recht op een transitievergoeding en de regels voor de berekening van de hoogte daarvan, nauwkeurig in de wet zijn omschreven. In dat stelsel wordt geen rekening gehouden met andere dan de in art. 7:673-673d BW vermelde omstandigheden(vgl. HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:651, rov. 3.3.8). Het abstracte en gestandaardiseerde karakter van de regeling van de transitievergoeding komt onder meer hierin tot uiting, dat voor de aanspraak niet van belang is of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst werkloos is, dan wel aansluitend een andere baan heeft gevonden (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 7, p. 70).Ook werknemers van wie de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd wegens twee jaren van ziekte (art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder b, BW in verbinding met art. 7:670 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW), hebben recht op een transitievergoeding (Kamerstukken I, 2013/14, 33818, C, p. 96).
(…)”
10.Tussenconclusie I
wenselijkis dat een langdurig arbeidsongeschikte werknemer aanspraak heeft op de transitievergoeding bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, ook als dat vlak voor zijn pensioen is en ook als duidelijk is dat geen transitie naar ander werk gaat plaatsvinden, als gesloten moet worden beschouwd. Naar de huidige stand van het recht is het een gegeven dat de langdurig arbeidsongeschikte werknemer wiens arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, aanspraak heeft op de transitievergoeding.
wenselijkis dat de langdurig arbeidsongeschikte werknemer aanspraak heeft op de transitievergoeding bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Hetzelfde geldt voor de vraag of het al dan niet
wenselijkis dat een (langdurig arbeidsongeschikte) werknemer wiens arbeidsovereenkomst kort voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt beëindigd, recht heeft op de transitievergoeding.
11.‘Slapende dienstverbanden’
Vraag 1
zelfindienen van een verzoek tot ontbinding, in combinatie met het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding op de grond dat de werkgever ernstig verwijtbaar handelt of nalaat door de arbeidsovereenkomst slapend te houden – beproefd. Dit heeft echter niet het door hen gewenste resultaat gehad. De feitenrechtspraak laat zich als volgt samenvatten: [128]
Vraag 1
zal er voor werkgevers geen aanleiding meer zijn om een arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer uitsluitend in stand te laten om de transitievergoeding niet te hoeven betalen (de zogenaamde slapende dienstverband problematiek) zodat er ook geen maatregelen hoeven te worden getroffen om dit tegen te gaan.” [139]
voorstellen gedaan die betrekking hebben op het verminderen van de kosten die gemoeid zijn met de transitievergoeding bij het einde van het dienstverband na langdurige arbeidsongeschiktheid, zonder dat de rechten van werknemers worden aangetast”,zo vermeldt de memorie van toelichting. [142] Daarnaast is in de memorie van toelichting te lezen dat het verschuldigd zijn van een transitievergoeding na een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid vaak als onrechtvaardig wordt ervaren. Onrechtvaardig omdat de werkgever voorafgaand aan het ontslag (veelal) gedurende twee jaar het loon tijdens ziekte heeft betaald en kosten heeft gemaakt gericht op de re-integratie van de werknemer in zijn bedrijf of bij een andere werkgever. [143]
Overwogen opties
De gevolgen van het invoeren van de transitievergoeding voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers worden door het voorstel en de terugwerkende kracht die daaraan wordt verleend in zoverre teruggedraaid dat werkgevers niet individueel de kosten van een dergelijke vergoeding behoeven te dragen. Dit roept allereerst de vraag op waarom, in plaats van het verdelen van de kosten van deze vergoeding over alle werkgevers, er niet voor is gekozen terug te keren naar de situatie zoals die tot 2015 heeft bestaan, waarin geen recht op transitievergoeding bestond voor deze groep werknemers. De Afdeling wijst erop dat indien de cumulatie van kosten voor de werkgever bij langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer bezwaren oproept, het de voorkeur verdient om de oorzaak daarvan zelf weg te nemen. Deze oorzaak wordt nu niet weggenomen: de kosten voor de individuele betrokken werkgever worden nu weliswaar verminderd, maar voor andere werkgevers worden zij verhoogd, boven op de reeds als zwaar ervaren druk van premies en belastingen op arbeid.
Controversieel verklaring van het wetsvoorstel heeft tot gevolg dat de met het wetsvoorstel beoogde doelen pas op een (veel) later moment kunnen worden bereikt. Dit is met name nadelig voor werkgevers gelet op de voor hen beoogde kostenbesparing.Het is echter ook nadelig voor langdurig zieke werknemers van wie het dienstverband slapend wordt gehouden, uitsluitend om het betalen van een transitievergoeding (en de daarmee gemoeide kosten) te vermijden. Deze werknemers kunnen immers geen rechten doen gelden op het betalen van de transitievergoeding. Door de voorgestelde compensatieregeling, die met terugwerkende kracht zal ingaan, wordt de reden voor het slapend houdend van het dienstverband weggenomen.”
Ondanks de invoeringsdatum van de compensatieregeling, wordt spoedige voortzetting van de behandeling van dit wetsvoorstel wenselijk geacht om de volgende redenen:
Op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie of de cumulatie van kosten bij ziekte van de werknemer met de invoering van de Wwz was voorzien, wordt opgemerkt dat met de invoering van de transitievergoeding voor een uniforme vergoeding bij onvrijwillig ontslag gekozen is, die onafhankelijk is van de gevolgde ontslagroute en daarmee van de reden voor ontslag. Een bijkomend effect is dat de werkgever bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid een transitievergoeding moet betalen.
Het onderhavige wetsvoorstel ziet op de cumulatie van kosten bij ziekte, die kan leiden tot slapende arbeidsovereenkomsten. Dit laatste is onwenselijk en teneinde hieraan een einde te maken, is het gewenst met dit wetsvoorstel voortgang te boeken en zo de financiële verplichtingen voor een werkgever bij langdurige ziekte te verlichten zonder dat de rechten van werknemers worden aangetast. Zo worden werknemers ertoe bewogen de desbetreffende arbeidsovereenkomsten te beëindigen.”
De compensatieregeling is ook van toepassing als de arbeidsovereenkomst is beëindigd of niet is voortgezet op of na 1 juli 2015. Aldus wordt de werkgever, die na dat tijdstip maar voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel langdurig arbeidsongeschikte werknemers heeft ontslagen en een transitievergoeding heeft betaald, niet benadeeld.Daarnaast zorgt deze compensatiemogelijkheid voor oude gevallen ervoor dat er geen prikkel ontstaat om langdurig arbeidsongeschikte werknemers in dienst te houden in slapende arbeidsovereenkomsten.”
allewerkgevers geldt: [172]
ontstaan, vanwege de wettelijke mogelijkheid om Wsw-werknemers op basis van art. 6 lid 2 Wsw Pro vervroegd te ontslaan. Ik volsta hier met de opmerking dat de minister in de beantwoording van deze vragen heeft benadrukt dat de compensatieregeling de grootste prikkels voor het ‘slapend’ houden van dienstverbanden wegneemt, ook voor werkgevers van Wsw-werknemers. [174]
12.De Wet compensatie transitievergoeding
Stb.2018, 234 - luidt als volgt:
wederzijds goedvinden. Bij een beëindiging met wederzijds goedvinden is immers geen transitievergoeding verschuldigd. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat een werkgever zich (onnodig) tot het UWV (of de rechter) wendt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. [175] Dat bij een beëindiging met wederzijds goedvinden geen transitievergoeding is verschuldigd, laat zich overigens in zoverre relativeren, dat de regering in de memorie van toelichting bij de Wwz de verwachting heeft uitgesproken dat de regeling van de transitievergoeding reflexwerking zal hebben op de inhoud van de voorwaarden waarop de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt. [176]
Beperkingen aan de hoogte van de vergoeding
Ten slotte wordt er een beperking aangebracht in die zin dat als aan een werkgever een zogenoemde loonsanctie is opgelegd (waarbij de periode van loondoorbetaling tijdens ziekte wordt verlengd in verband met het niet naleven van re-integratieverplichtingen) die periode niet meetelt bij de berekening van de hoogte van de compensatie. In dat geval is de als gevolg hiervan hogere transitievergoeding immers aan hemzelf te wijten.”
Naast deze beperkingen geldt (uiteraard) dat bij een beëindiging met wederzijds goedvinden er nooit meer aan compensatie zal worden verstrekt dan het bedrag gemoeid met de transitievergoeding waar recht op zou hebben bestaan als de arbeidsovereenkomst door opzegging of ontbinding zou zijn geëindigd. Dat betekent ook dat als bij een beëindiging met wederzijds goedvinden een vergoeding is toegekend in een situatie waar op grond van de wet geen recht op transitievergoeding bestaat er geen compensatie zal worden toegekend.
13.De Regeling compensatie transitievergoeding
Om te beoordelen of recht bestaat op compensatie en wat de hoogte daarvan is, moet UWV in ieder geval het volgende kunnen vaststellen:
De arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer.
Wanneer de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd: bescheiden waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Dit kan zijn:
de beschikking waaruit blijkt dat UWV toestemming heeft verleend voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid;
de beschikking van de kantonrechter waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst om die reden is ontbonden; of
de beëindigingsovereenkomst die ziet op het (na ommekomst van de periode van het opzegverbod tijdens ziekte) met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
Wanneer de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid na toestemming van UWV: een verklaring van de werkgever dat de werknemer ziek was op het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigde, de periode gedurende welke de werknemer ziek is geweest en de naam van de behandelend bedrijfsarts.
Het door de werkgever tijdens ziekte betaalde loon (aan de hand van loonstroken).
De gegevens die gebruikt zijn om de hoogte van de transitievergoeding te berekenen.
Bewijs van betaling van de (transitie)vergoeding. Bij betaling in termijnen zullen betalingsbewijzen moeten worden overlegd waaruit blijkt dat de gehele vergoeding is voldaan.
Kolom-beschikking van de Hoge Raad [189] – dat ook een compensatie kan worden verstrekt als de werkgever een vergoeding heeft betaald in verband met het
gedeeltelijkbeëindigen van de arbeidsovereenkomst. [190]
14.Samenloop met de Wet arbeidsmarkt in balans
3.4.3.3 Samenloop van veranderde opbouw transitievergoeding met compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid
Compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer
(…) De werkgever is transitievergoeding verschuldigd over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst. Indien het einde van de arbeidsovereenkomst is gelegen voor de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1-1-2020 is de huidige berekenmethode van toepassing. Indien het einde van de arbeidsovereenkomst na 1-1-2020 is gelegen, zal de nieuwe berekenmethode van toepassing zijn. In de memorie van toelichting bij de Wab is in de paragrafen 3.4.4.1 en 3.4.4.2 verduidelijkt welk recht van toepassing is bij het einde van de arbeidsovereenkomst rondom 1-1-2020. Om werkgevers te stimuleren om dienstverbanden niet onnodig lang slapend te houden, is geregeld dat de compensatie niet hoger is dan de transitievergoeding die de werkgever verschuldigd zou zijn bij een beëindiging na afloop van de ziekteperiode van 104 weken. De transitievergoeding die verschuldigd is over de periode waarin het dienstverband slapend werd gehouden, wordt dus niet gecompenseerd.Het kan voorkomen dat het einde van de 104-wekenperiode voor 1-1-2020 valt en het moment waarop de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt na 1-1-2020. Dit betekent dat de transitievergoeding waar de werknemer recht op heeft volgens de nieuwe berekenmethode moet worden berekend. Om te voorkomen dat voor het bepalen van de hoogte van de compensatie de huidige berekeningsmethode wordt gebruikt, waardoor de werkgever ten onrechte voor een hoger bedrag gecompenseerd zou worden, is bepaald dat dit geval de hoogte van de transitievergoeding aan het einde van de 104-weken wordt berekend volgens de nieuwe berekenmethode.”
K
Het eerste en tweede lid komen te luiden:
na de periode, bedoeld in artikel 670, lid 1, onderdeel a, en lid 11:
is geëindigd in verband met het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming en de werkgever, die minder dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal werknemers in dienst had:
wederzijds goedvindenis beëindigd, wordt als gevolg van de Wab verplaatst naar een afzonderlijk artikellid. Dat blijkt uit het hiervoor geciteerde art. K, lid 2. [205]
MinisterKoolmees:
Vraag 1
Voor wat betreft de kosten van de compensatieregeling bij langdurige arbeidsongeschiktheid deelt de regering de analyse van professor Verhulp. De kosten van het compenseren van de transitievergoeding bij ontslag na langdurige ziekte in het eerste jaar na inwerkingtreding van deze regeling (vanaf 1 april 2020) bedragen naar verwachting ongeveer een miljard euro. Dit komt omdat tijdens het eerste jaar na inwerkingtreding van de compensatieregeling ook compensatie zal worden verstrekt over de betaalde (transitie)vergoedingen vanaf 1 juli 2015 tot aan het moment van invoering van deze regeling. De structurele jaarlijkse kosten zijn geraamd op € 190 mln.
15.Tussenconclusie II
daardooreen einde te maken aan de ‘slapende dienstverbanden’, ook een belangrijk
doelis van de Wet compensatie transitievergoeding, blijkt ook duidelijk uit de parlementaire geschiedenis (zie onder 11.13, 11.21, 11.22, 11.25 en 14.7).
Gegevende wettelijke aanspraak op de transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, en
gegevende invoering van de wettelijke compensatieregeling die voorkomt dat individuele werkgevers met onevenredig zware lasten worden geconfronteerd, is er geen ruimte meer voor de rechter om te treden in de weging van het al dan niet wenselijk zijn van een daarmee gepaard gaande stijging van collectieve lasten. Tijdens het wetgevingsproces is onderkend dat de premiestijging tot gevolg heeft dat de algemene financiële verplichtingen voor werkgevers enigszins omhoog gaan, maar dat daar tegenover staat dat de mogelijkheid van compensatie in individuele gevallen leidt tot een significante verlaging van de kosten van de individuele werkgever. [215] De hiermee door de wetgever gemaakte afweging kan door de rechter niet worden overgedaan. Overigens blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de compensatieregeling dat de verwachte structurele premiestijging zeer beperkt is (een stijging van de Awf-premie met 0,1%).
16.Feitenrechtspraak na bekendmaking van de compensatieregeling
werknemersverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (art. 7:671c BW) en een verzoek tot toekenning van een transitievergoeding op de grond dat het niet beëindigen van de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever oplevert (art. 7:673 lid Pro 1, aanhef en onder b onder 2°, BW), nog steeds een doodlopende weg is. [216] De lijn in de lagere rechtspraak is op dit punt dus niet gewijzigd. Ter illustratie kan worden gewezen op de navolgende overweging van de rechtbank Overijssel: [217]
Het behoort tot de keuzevrijheid/beleidsvrijheid van een werkgever om een arbeidsovereenkomst met een werknemer die meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is door opzegging te beëindigen. Er bestaat daartoe ook geen wettelijke verplichting. De invoering van de Wet compensatie transitievergoeding maakt dat niet anders. Die wet legt evenmin een verplichting op de werkgever om een slapend dienstverband te beëindigen. Bovendien is het nog niet geheel zeker dat de Wet compensatie transitievergoeding ook daadwerkelijk per 1 april 2020 wordt ingevoerd. Voorts staat inmiddels vast dat een verzoek tot toekenning van een compensatie ook niet eerder dan 1 april 2020 zal kunnen worden ingediend. Dat betekent dat een werkgever als ZGT zeer aanzienlijke bedragen aan uitgekeerde transitievergoedingen moet voorfinancieren zonder dat vaststaat wat de termijn is waarbinnen zij daarvoor geheel of gedeeltelijk via het UWV wordt gecompenseerd. Tegen die achtergrond kan thans niet gezegd worden dat ZGT geen rechtens te respecteren belang heeft om vóór inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding slapende dienstverbanden als de onderhavige niet te willen beëindigen. Vooralsnog moet dan ook worden geconcludeerd dat ZGT niet ernstig verwijtbaar handelt door thans het dienstverband met [verzoeker] slapend te houden, ook niet nu [verzoeker] vóór 1 april 2020 reeds de AOW gerechtigde leeftijd bereikt en wiens arbeidsovereenkomst daarmee eindigt. Dat is immers het gevolg van een wettelijke regeling waarop de werkgever geen invloed heeft. Dat [verzoeker] bij het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd geen recht heeft op een transitievergoeding maakt het voorgaande evenmin anders nu dit het gevolg is van wettelijke bepaling (artikel 7:673 lid 7 sub Pro b).”
kanopzeggen indien de werknemer door ziekte of gebreken niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, mits de periode dat het loon tijdens ziekte doorbetaald dient te worden is verstreken. Noch uit dit artikel noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat de werkgever een ontslagplicht heeft als aan deze voorwaarden is voldaan (rov. 4.5). Hoewel vaststaat dat de werkgever slapende dienstverbanden onwenselijk acht en wil tegengaan en de compensatieregeling invoert om werkgevers te stimuleren deze dienstverbanden te beëindigen, heeft de wetgever niet gekozen voor een verplichting voor de werkgever om de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid op te zeggen, aldus de voorzieningenrechter (rov. 4.6). Uit de compensatieregeling kan volgens de rechter evenmin een verplichting worden afgeleid om na twee jaar arbeidsongeschiktheid de transitievergoeding “af te rekenen”. Een streven van de wetgever om ongewenste situaties tegen te gaan vormt, ook naar maatstaven van goed werkgeverschap, geen verbod (aan individuele werkgevers) tot het laten voortbestaan van dergelijke situaties (rov. 4.6). De voorzieningenrechter overwoog verder dat de werkgever een belang kan hebben bij haar weigering de arbeidsovereenkomst op te zeggen. In dat kader acht hij van belang dat het Algemeen werkloosheidsfonds, waaruit de compensatie voor de transitievergoeding zal worden betaald, wordt gefinancierd uit werkgeverspremies en dat de compensatie daarmee (deels) een “sigaar uit eigen doos” is. Die premies kunnen bovendien verhoogd worden als (te) veel gebruik gemaakt zal worden van de compensatieregeling (rov. 4.7). Overigens sloot de rechter niet uit dat het slapend houden van een dienstverband wèl in strijd kan zijn met goed werkgeverschap als een werkgever het beleid heeft om slapende arbeidsovereenkomsten op te zeggen, maar dat in een individueel geval niet doet (rov. 4.8). De conclusie is dat de werkgever niet handelt in strijd met goed werkgeverschap en evenmin wanprestatie pleegt door de arbeidsovereenkomst met werknemer niet vóór het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd op te zeggen, ook niet als daarbij in aanmerking wordt genomen de omstandigheid dat werkgever (een groot deel van) de transitievergoeding die zij dan aan werknemer verschuldigd zou worden op grond van de compensatieregeling gecompenseerd zal kunnen krijgen, en de omstandigheid dat werknemer binnen afzienbare termijn de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en werkgever dan de arbeidsovereenkomst kan opzeggen zonder de transitievergoeding verschuldigd te zijn (rov. 4.9). [220]
4.4 (…) Eiser is ernstig ziek. (…). Het is aannemelijk dat hij nog maar kort heeft te leven, mogelijk slechts enkele maanden. Namens de stichting is verklaard dat zij geen reden heeft om daaraan te twijfelen, De stichting heeft geen enkel belang bij het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst behalve het voorkomen dat zij een transitievergoeding moet betalen. Zo dit ooit een honorabel belang is geweest, is het dat thans in beginsel niet meer omdat aangenomen moet worden dat de stichting te transitievergoeding te zijner tijd volledig krijgt vergoed op grond van de Wet compensatie transitievergoeding. De stichting heeft zich erop beroepen dat nog niet zeker is dat zij een vergoeding zal krijgen voor de betaalde transitievergoeding omdat de Wet compensatie transitievergoeding nog niet in werking is getreden. Dat laatste is op zichzelf juist. Er moet nog een koninklijk besluit worden genomen waarin de datum van inwerkingtreding wordt bepaald. De overheid, waaronder het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid, laat er geen misverstand over bestaan dat die datum 1 april 2020 zal zijn. Ondertussen heeft de regeling al wel kracht van wet. Zij is door de Eerste en Tweede kamer aangenomen en in het Staatsblad geplaatst. De kans dat de wet in het geheel niet in werking zal treden, moet bijzonder gering worden geacht. De wet biedt ook geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat een vergoeding van de betaalde transitievergoeding door het UWV zou kunnen worden geweigerd omdat de werkgever via een procedure door de rechter of een arbiter tot beëindiging door opzegging van de arbeidsovereenkomst is veroordeeld.
4.8 In onderhavige situatie is sprake van een slapende arbeidsovereenkomst zonder enig zicht op een kans dat [werkneemster] alsnog uit hoofde van die arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor [de stichting] zal gaan verrichten. Dit is enerzijds het geval door de medische situatie van [werkneemster] en de vooruitzichten daarbij. Anderzijds kan ook niet uit het oog worden verloren dat [werkneemster] de functie bekleedde van statutair directeur. Met [werkneemster] is de voorzieningenrechter van oordeel dat als gevolg van haar ontslag als statutair directeur de arbeidsovereenkomst feitelijk een lege huls is geworden, aangezien de arbeidsovereenkomst van [werkneemster] verknocht is aan de benoeming in de statutaire functie van bestuurder (zoals ook volgt uit artikel 6.1 en 7.1 van de arbeidsovereenkomst).
17.Het Stoof/Mammoet-arrest
Stoof/Mammoet-arrest te bereiken dat de werkgever een redelijk voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van de transitievergoeding, dient te aanvaarden. Het
Stoof/Mammoet-arrest formuleert een aantal criteria, voortvloeiend uit de eisen van goed werkgeverschap en goed werknemerschap (art. 7:611 BW Pro), aan de hand waarvan beoordeeld moet worden of een werknemer gehouden is in te stemmen met een voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst. [237] Voor een goed begrip van dit arrest, bespreek ik eerst de mogelijkheid om eenzijdig arbeidsvoorwaarden te wijzigen via een wijzigingsbeding als bedoeld in art. 7:613 BW Pro en het
Taxi Hofman-arrest, dat aan het
Stoof-Mammoet-arrest voorafging.
Taxi Hofman-arrest. [241]
Taxi Hofman-arrest ging het om het volgende. Werknemer was in dienst als taxichauffeur/centralist en is na een periode van arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk andere werkzaamheden (als administratief medewerker/centralist) gaan verrichten. Na een nieuwe periode van arbeidsongeschiktheid is werknemer hersteld verklaard, waarbij hij in staat werd geacht zijn arbeid als administrateur/centralist én taxichauffeur weer te gaan verrichten. Kort daarvoor had werkgever aan werknemer medegedeeld dat hij niet kon terugkeren op de administratie, omdat dit werk inmiddels door de dochter van de directeur werd gedaan. In verband met deze gewijzigde omstandigheden, heeft werkgever aan werknemer aangeboden dat hij zijn werkzaamheden bij de centraledienst zou blijven verrichten, maar dat hij daarnaast op de taxi zou gaan rijden. Daarbij zou zijn salaris hetzelfde blijven. Werknemer heeft dit aanbod van de hand gewezen en is niet meer aan het werk gegaan. Werkgever heeft hem vanaf dat moment ook geen loon meer betaald. Kantonrechter en rechtbank hebben de vorderingen van werknemer tot loondoorbetaling afgewezen. De rechtbank overwoog dat voor werkgever, gelet op de omstandigheden van het geval, een redelijke grond heeft bestaan om van werknemer na diens hersteldverklaring andere passende arbeid te verlangen en dat werknemer dit aanbod redelijkerwijs niet heeft kunnen weigeren. In cassatie stelde de werknemer dat dit erop neer zou komen dat de werkgever onder omstandigheden gerechtigd is eenzijdig de overeengekomen werkzaamheden aan te passen en dat de werknemer op straffe van verlies van zijn aanspraak op loon gehouden is daaraan mee te werken. Dat oordeel moest volgens werknemer als rechtens onjuist worden aangemerkt. De Hoge Raad ging niet mee in dit betoog van de werknemer en overwoog daartoe als volgt: [242]
3.4 Dienaangaande moet het volgende worden vooropgesteld. Uit de art. 7A:1638z en 7A:1639d (oud) BW — inmiddels samengebracht in art. 7:611 BW Pro — blijkt dat de werkgever en de werknemer over en weer verplicht zijn zich als een goed werkgever respectievelijk een goed werknemer te gedragen. Dit brengt, wat de werknemer betreft, mee dat hij op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, in het algemeen positief behoort in te gaan en dergelijke voorstellen alleen mag afwijzen wanneer aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Zulks wordt niet anders indien het zou gaan om gewijzigde omstandigheden die in de risicosfeer van de werkgever liggen. De hier bedoelde verplichting staat ook niet op gespannen voet met het dwingendrechtelijke stelsel van ontslagbescherming en is evenmin in strijd met de bescherming van de (arbeidsongeschikte) werknemer zoals die in wet en rechtspraak gestalte heeft gekregen. Zij betekent niet meer dan dat, behalve de werkgever, ook de werknemer zich in zijn contractuele verhouding tot de wederpartij redelijk behoort op te stellen. De bescherming van (arbeidsongeschikte) werknemers in het arbeidsrecht kan op zichzelf dan ook niet rechtvaardigen dat een werknemer een redelijk voorstel van zijn werkgever van de hand wijst.”
goed werknemerte gedragen (art. 7:611 BW Pro) meebrengt dat een werknemer in het algemeen behoort in te gaan op redelijke voorstellen van zijn werkgever, die verband houden met gewijzigde omstandigheden op het werk. Dergelijke voorstellen mag de werknemer alleen afwijzen, wanneer aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Guitoneau/
Midnet Tax-arrest [243] en het
Drie-S/Mammoet-arrest [244] (ook wel: ‘het eerste
Mammoet-arrest’ genoemd). In dit laatste arrest, dat overigens verband houdt met het geschil in het hierna te bespreken arrest
Stoof/Mammoet(ook wel: ‘het tweede
Mammoet-arrest’ genoemd), is de
Taxi Hofman-maatstaf in zoverre genuanceerd, dat volgens de Hoge Raad niet valt in te zien dat de werknemer redelijkerwijs niet, op de wijze zoals hij heeft gedaan, zou mogen opkomen voor wat hij als zijn rechten zag in verband met door de werkgever gedane reorganisatievoorstellen. [245] In de woorden van A-G Keus: “(…)
de Taxi Hofman-formule staat niet eraan in de weg dat een werknemer die wordt geconfronteerd met een voorgenomen wijziging van zijn functie, daartegen bezwaar maakt en opkomt voor wat hij als zijn rechten ziet. Een positieve houding van de werknemer betekent niet dat hij ieder voorstel voetstoots zou moeten aanvaarden.” [246]
Taxi Hofman-arrest waren wisselend. Hoewel werkgevers de mogelijkheid om werknemers – zonder eenzijdig wijzigingsbeding – te bewegen tot instemming met een wijzigingsvoorstel toejuichten, was er ook kritiek op het arrest. [247] Die kritiek kwam erop neer dat het
Taxi Hofman-criterium te ruim zou zijn en het voor werkgevers te gemakkelijk zou maken een wijziging van de arbeidsovereenkomst aan werknemers op te dringen. Daarnaast bestond onduidelijkheid over de verhouding van het
Taxi Hofman-criterium en art. 7:611 BW Pro enerzijds en de artikelen 7:613 en 6:248 (lid 2) BW anderzijds. Daarover bestonden in de literatuur [248] en feitenrechtspraak [249] uiteenlopende opvattingen. [250]
Stoof/Mammoet-arrest heeft de Hoge Raad het
Taxi Hofman-criterium nader uitgewerkt en genuanceerd. Het ging in die zaak om het volgende. De werkgever bood de werknemer een functiewijziging aan. De voorgestelde wijziging hing samen met de overname van het bedrijf en de daarop volgende integratie van twee ondernemingen. Werknemer wees het aanbod van de hand en verscheen vervolgens niet meer op het werk. De werkgever heeft daarop de loonbetaling gestaakt, waarna werknemer in rechte een vordering tot loondoorbetaling heeft ingesteld. Rechtbank en hof hebben de loonvordering afgewezen. Het hof kwam tot de slotsom dat de werknemer ten onrechte afwijzend had gereageerd op de voorstellen van werkgever tot wijziging van zijn functie. In cassatie betoogde de werknemer dat de door het hof met juistheid vooropgestelde en aan het
Taxi Hofman-arrest ontleende norm moet worden begrepen als een uitwerking van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro) binnen het kader van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent volgens de werknemer dat het bij de beoordeling of de werknemer is gehouden een redelijk aanbod tot wijziging van zijn arbeidsovereenkomst te aanvaarden, erop aankomt vast te stellen of afwijzing van dat voorstel door de werknemer – en daarmee ongewijzigde voortzetting van hetgeen partijen zijn overeengekomen – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is een strengere norm dan de – volgens de werknemer onjuiste – door het hof aangelegde toets of de werknemer redelijk handelt door een hem aangeboden functiewijziging niet te aanvaarden. De Hoge Raad verwierp dit betoog:
Taxi Hofman-criterium zou moeten worden aangesloten bij de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro), wees de Hoge Raad dus nadrukkelijk van de hand.
Taxi Hofman-arrest niet alleen gaat om wat in een dergelijke situatie van de werknemer mag worden verwacht, maar dat
in de eerste plaatsmoet worden gekeken naar de houding van
de werkgeverin verband met het wijzigingsvoorstel dat hij de werknemer doet. De relevante overweging luidt als volgt: [251]
3.3.2 (…) Daarbij verdient opmerking dat bij de hier te hanteren maatstaf het accent niet eenzijdig moet worden gelegd op hetgeen van de werknemer in een dergelijke situatie mag worden verwacht. Bij de beantwoording van de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, dient immers in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede - naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming - de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden. Nu de werknemer op deze wijze beschermd wordt tegen onredelijke voorstellen van de werkgever, en nu vervolgens nog dient te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden, is het belang van de werknemer bij een ondanks de veranderde omstandigheden ongewijzigd voortduren van de arbeidsvoorwaarden voldoende gewaarborgd.”
redelijkis. In de derde plaats gaat het erom of de werknemer dit redelijke voorstel
in redelijkheidmoet aanvaarden. [252] Door het accent
in de eerste plaatsop het handelen van de
werkgeverte leggen, en dit te toetsen aan de norm van goed werkgeverschap op de wijze zoals weergegeven in rov. 3.3.2, wordt de werknemer beschermd tegen onredelijke voorstellen van de werkgever, zo blijkt uit de overweging van de Hoge Raad. Door vervolgens ook nog te onderzoeken of aanvaarding van het redelijke voorstel van de werkgever in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden, is het belang van de werknemer bij een ondanks veranderde omstandigheden ongewijzigd voortduren van de arbeidsvoorwaarden voldoende gewaarborgd, aldus de Hoge Raad. Daarmee staat de maatstaf in belangrijke mate in het teken van de bescherming van de werknemer.
Stoof/Mammoet-arrest ook nog in op het verschil tussen een wijziging die wordt doorgevoerd op grond van een wijzigingsbeding als bedoeld in art. 7:613 BW Pro, en een wijziging in een situatie dat zo’n wijzigingsbeding ontbreekt en wordt teruggevallen op art. 7:611 BW Pro:
3.3.3 Bij het hanteren van de hiervoor bedoelde maatstaf is uitgangspunt dat geen sprake is van een schriftelijk beding dat de werkgever de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen. Indien daarvan wel sprake is, bepaalt art. 7:613 BW Pro dat de werkgever op dat beding slechts een beroep kan doen indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Hoewel het hier op het eerste gezicht om een vergelijkbare kwestie gaat, moet op grond van de gegevens vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.14 worden aangenomen dat deze bepaling veeleer ziet op gevallen waarin de werkgever zich de bevoegdheid heeft voorbehouden, ongeacht de omstandigheden die daartoe aanleiding geven, eenzijdig een wijziging in de arbeidsvoorwaarden aan te brengen niet slechts ten opzichte van een individuele werknemer maar ten opzichte van verscheidene werknemers, in welk geval ter bescherming van de werknemer(s) beperkingen worden gesteld aan de bevoegdheid het beding toe te passen.
18.De voorgestelde ‘omgekeerde Stoof-Mammoet-benadering’
omgekeerde Stoof/Mammoet-benadering’als oplossingsrichting voor de problematiek van de ‘slapende dienstverbanden’.
omgekeerde Stoof/Mammoet-benadering’goed in het (arbeidsrechtelijke) stelsel past, omdat:
omgekeerde Stoof/Mammoet-benadering’enkele belangrijke dogmatische en praktische voordelen heeft ten opzichte van de eerder door werknemers bewandelde routes om tot een beëindiging van een ‘slapend dienstverband’ onder toekenning van de transitievergoeding te komen. [261]
omgekeerde Stoof/Mammoet-benadering’ niet is vereist dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De voorgestelde benadering kent weliswaar een ‘volle redelijkheidstoets’, maar dat is een lagere lat dan die van ernstige verwijtbaarheid. [262]
omgekeerde Stoof/Mammoet-benadering’enkele belangrijke voordelen hebben. Zo dwingt deze benadering de werkgever niet om tot opzegging van de arbeidsovereenkomst over te gaan, zo wordt namens Werknemer aangevoerd. Dat staat namelijk op gespannen voet met het ontbreken van een wettelijke verplichting voor de werkgever om de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid op te zeggen. Indien wordt geoordeeld dat de werkgever gehouden is het beëindigingsvoorstel van de werknemer te aanvaarden, dan zijn er twee uitkomsten denkbaar. Ofwel de werkgever aanvaardt het voorstel – in welk geval de arbeidsovereenkomst op basis van een beëindigingsovereenkomst in de zin van art. 7:670b BW met wederzijds goedvinden eindigt –, ofwel de werkgever aanvaardt het voorstel niet, wat hem dan schadeplichtig maakt op de voet van art. 6:74, in verbinding met art. 7:611 BW Pro. [263]
omgekeerde Stoof/Mammoet-benadering’zou bovendien als voordeel hebben, nog steeds volgens de schriftelijke opmerkingen van de Werknemer – ten opzichte van het aannemen van een min of meer algemene ‘ontslagplicht’ bij een voldragen b-grond – dat hiermee (i) richting en duidelijkheid op belangrijke hoofdlijnen kan worden gegeven, terwijl die benadering tegelijkertijd (ii) maatwerk in het individuele geval mogelijk maakt. Dat maatwerk zou dan mogelijk zijn via het ‘derde deelcriterium’ uit het
Stoof/Mammoet-arrest, te weten dat moet worden onderzocht of aanvaarding van het redelijke beëindigingsvoorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Als voorbeelden van omstandigheden die zouden kunnen meebrengen dat de werkgever het beëindigingsvoorstel in redelijkheid mag weigeren worden genoemd: het geval dat sprake is van een kleine werkgever die de (financiële) middelen ontbeert om de transitievergoeding voor te schieten of het geval dat de werkgever eigenrisicodrager is. [264]
verleidenom – na het verstrijken van de loondoorbetalingsverplichting – de (slapende) arbeidsovereenkomst te beëindigen teneinde werknemers een aanspraak op de transitievergoeding te geven. Aangevoerd wordt dat met de voorgestelde ‘
omgekeerde Stoof/Mammoet-benadering’een ‘
situatie van volstrekte rechtsongelijkheid en willekeur’voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers met een ‘slapend dienstverband’ zou kunnen worden voorkomen. [266]
niette benaderen via de maatstaf uit het
Stoof/Mammoet-arrest.
Stoof/Mammoetontwikkeld is voor
wijzigingvan de arbeidsovereenkomst. Bij toepassing op de ‘slapende dienstverbanden’ gaat het echter niet om wijziging, maar om
beëindigingvan de arbeidsovereenkomst. Daarmee wordt de maatstaf op een wezenlijk andere situatie toegepast dan waarvoor hij is ontwikkeld. Daarbij wordt direct tegen het probleem aangelopen dat – in theorie – dan ook de werkgever een wijzigingsvoorstel kan doen dat ertoe strekt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Die mogelijkheid zou echter het gesloten stelsel van het ontslagrecht doorkruisen en daarom weer moeten worden uitgezonderd. [267]
Stoof/Mammoetontwikkelde criteria voor wijziging van de arbeidsovereenkomst betekenen dat het de werkgever in feite is
toegestaanom de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen, zij het dat ‘
de procedure daarnaartoe bewerkelijker is voor de werkgever’. [268] Met andere woorden, de arbeidsovereenkomst is – binnen de grenzen van
Stoof/Mammoet- niet steeds bindend. [269] Dat de werkgever onder omstandigheden mag ‘inbreken’ in de arbeidsovereenkomst, laat zich verklaren doordat voor een werkgever niet alleen het belang van de individuele werknemer, maar ook het belang van zijn bedrijf (‘het institutionele belang’) een rol speelt. [270] Daarbij komt dat de werkgever in een gezagsrelatie met de werknemer staat. Dat brengt ook mee dat de normen van ‘goed werkgeverschap’ en ‘goed werknemerschap’
nietgeheel spiegelbeeldig zijn (anders dan door Werknemer is aangevoerd, zie onder 18.3, eerste streepje). [271] Op grond van het voorgaande meen ik dat de maatstaf van
Stoof/Mammoetbij uitstek is ontwikkeld ten behoeve van de wijzigingsbevoegdheid van de
werkgever, gelet op diens specifieke positie. Om deze reden leent de maatstaf zich in mindere mate voor een ‘omgekeerde toepassing’, waarbij het de werknemer is die zou ‘inbreken’ in de arbeidsovereenkomst.
Stoof/Mammoetgaat het primair om een toets van het handelen van
de werkgeverdie het wijzigingsvoorstel doet. Als eerste moet immers worden onderzocht of de werkgever die een voorstel tot wijziging doet, daarvoor aanleiding heeft kunnen vinden in de gewijzigde omstandigheden. Vervolgens moet worden beoordeeld of het wijzigingsvoorstel van de werkgever redelijk is, waarbij naar alle omstandigheden van het geval moet worden gekeken. Dat betekent dat in een ‘omgekeerde
Stoof/Mammoetbenadering’ het steeds de
werknemerzou zijn, die als eerste een horde moet nemen; de werknemer moet immers stellen en zo nodig bewijzen dat aan de eerste twee criteria van de ‘drietrapsraket’ wordt voldaan. Zo’n horde verhoudt zich naar mijn mening niet goed met het feit dat het onmiskenbaar de bedoeling van regering en parlement is om met de invoering van de compensatieregeling een einde te maken aan de praktijk van de ‘slapende dienstverbanden’.
Stoof/Mammoet, een onvoldoende duidelijk richtsnoer oplevert. Van geval tot geval zou dan immers moeten worden beoordeeld tot welk ‘redelijkheidsoordeel’ die omstandigheden in het concrete geval leiden. Om dit te voorkomen, wordt van de zijde van Werknemer verzocht dat de Hoge Raad bij het aanvaarden van de ‘omgekeerde
Stoof/Mammoet-benadering’ óók uitspreekt dat een voorstel tot beëindiging van een slapend dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding, in beginsel een redelijk voorstel is. [272] Daarmee wordt de maatstaf van
Stoof/Mammoeteigenlijk ook alweer wat losgelaten, zou je kunnen zeggen.
Stoof/Mammoet-benadering’ als oplossing voor de problematiek van de ‘slapende dienstverbanden’, mijns inziens minder voor de hand.
19.Goed werkgeverschap en ‘slapende dienstverbanden’
Dit artikel, in het voorontwerp artikel 7.10.1.8, is een samenvoeging, in wat strakkere bewoording, van de artikelen 1638z en 1639d van het huidige wetboek. Zoals onder het oude recht geopperd kan worden of hetzelfde niet reeds uit de artikelen 1374 lid 3 en 1375 B.W. kan afgeleid worden, zo kan men ook vragen of dit voorgestelde artikel strikt juridisch wel noodzakelijk is naast de artikelen 2 en 248 van Boek 6 B.W. De speciale vermelding hier ter plaatse blijft echter waardevol, omdat de bepaling - zoals ook bij de totstandkoming daarvan is bedoeld – niet slechts ziet op de bedoelingen van partijen onderling, maar ook op voor het arbeidsrecht relevante verhoudingen en ontwikkelingen. In het bijzonder de verwijzing naar de norm van het goed werkgeverschap van artikel 1638z heeft in de loop der jaren de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de ontwikkeling in rechtsopvattingen'. Gewezen kan worden op de jurisprudentie met betrekking tot de verplichting van de werkgever een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer in staat te stellen arbeid te verrichten die voor zijn krachten is berekend (HR 8 november 1985, NJ 1986, 309). Een uitdrukkelijke verwijzing naar het goed werkgeverschap is dan op haar plaats. Zo wordt beter aangesloten bij de eigen aard en terminologie van het arbeidsrecht en zal het voor de partijen bij de arbeidsovereenkomst gemakkelijker levend recht zijn.”
De werkgever willigt het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur in, voor zover het betreft het tijdstip van ingang en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.”
normgeformuleerd, namelijk
dat ‘slapende dienstverbanden’ in beginsel behoren te worden beëindigd, als de werknemer dat wenst. Naar mijn mening ligt het voor de hand dat deze specifieke norm, via de open norm van het goed werkgeverschap in de rechtspraak wordt geëxpliciteerd. [283]
totde inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding: financiële problemen van de werkgever door het moeten voorfinancieren van de transitievergoeding.
behoortte worden beëindigd, tenzij de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij het in stand houden van het dienstverband.
20.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Stoof/Mammoet-benadering’ als oplossing voor de problematiek van de ‘slapende dienstverbanden’, minder voor de hand (zie onder 18.11-18.15).