ECLI:NL:GHARL:2021:6682

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 juli 2021
Publicatiedatum
12 juli 2021
Zaaknummer
Wahv 200.268.083/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WahvArt. 7:18 AwbArt. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoorplicht en bewijs bij snelheidsovertreding met trajectcontrole

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een snelheidsovertreding op de A4 met een trajectsnelheidsmeter. De betrokkene werd gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid met 12 km/u. De betrokkene stelde dat de hoorplicht was geschonden doordat de officier van justitie ter zitting nieuwe stukken inbracht waarop niet kon worden gereageerd.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte had geoordeeld dat de betrokkene niet in zijn belangen was geschaad door de schending van de hoorplicht. De gemachtigde van de betrokkene was niet verschenen op de zitting waar nieuwe stukken werden ingebracht, waardoor hij niet kon reageren. Dit kwam voor zijn rekening. Daarnaast werd vastgesteld dat de kantonrechter onvoldoende had gemotiveerd waarom de schending van de hoorplicht niet tot vernietiging van de beschikking zou leiden.

Verder werd het bewijs van de snelheidsovertreding beoordeeld. Het hof oordeelde dat de trajectsnelheidsmeter voldeed aan de wettelijke eisen en dat de bebording op het traject conform regelgeving was geplaatst en gecontroleerd. De betwisting van de bevoegdheid van de ambtenaar en de betrouwbaarheid van het meetmiddel faalden. Het hof bevestigde daarom de sanctie van € 91,- voor de snelheidsovertreding en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof bevestigt de vernietiging van de beslissing van de officier van justitie wegens schending van de hoorplicht en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.268.083/01
CJIB-nummer
: 211573848
Uitspraak d.d.
: 12 juli 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 2 september 2019, betreffende
[betrokkene](hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene verenigt zich met de gegrondverklaring van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, maar stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter zijn beslissing onjuist heeft gemotiveerd. Deze motivering getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de kantonrechter heeft overwogen dat de beslissing van de officier van justitie slechts behoeft te worden vernietigd, aangezien de hoorplicht is geschonden en de betrokkene daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Volgens vaste jurisprudentie van het hof kan schending van de hoorplicht niet worden gepasseerd en aldus niet worden gesteld dat de betrokkene niet in zijn belangen is geschaad.
2. De kantonrechter heeft overwogen:
“Ten aanzien van het verweer van betrokkene dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden is de kantonrechter met de vertegenwoordiger van de officier van justitie van oordeel dat de officier van justitie niet aan het verzoek van betrokkene om te worden gehoord voorbij had mogen gaan. Echter is niet aannemelijk geworden dat betrokkene hierdoor in zijn belangen is geschaad, zodat schending van de hoorplicht in dit geval niet tot vernietiging van de opgelegde beschikking dient te leiden. Derhalve zal enkel de beslissing van de officier van justitie worden vernietigd”.
3. Met de gemachtigde is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene door schending van de hoorplicht niet in zijn belangen is geschaad. De beslissing van de kantonrechter is dientengevolge niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wahv met redenen omkleed. Er is derhalve sprake van een motiveringsgebrek in de beslissing van de kantonrechter.
4. De gemachtigde voert voorts aan dat de kantonrechter in strijd met de beginselen van een goede procesorde heeft gehandeld. Hieronder valt het beginsel van hoor en wederhoor. In de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde verzocht om aanhouding in het geval de officier van justitie ter zitting nieuwe standpunten zou innemen dan wel nieuwe stukken over zou leggen teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen schriftelijk daarop te reageren. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de officier van justitie twee schouwrapporten in het geding heeft gebracht. De kantonrechter heeft de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om op deze stukken te reageren.
5. In het beroepschrift aanvullende gronden d.d. 1 november 2018 heeft de gemachtigde aangevoerd:
“Gelet op de beginselen van een goede procesorde wenst betrokkene uw Rechtbank er thans reeds op te wijzen dat naar het oordeel van betrokkene geen adequate gelegenheid bestaat ter zitting te kunnen reageren op door de officier van justitie eerst ter zitting ingenomen standpunten of over te leggen stukken.
Voor zoveel de officier van justitie eerst ter zitting nieuwe standpunten inneemt en/of stukken in het geding brengt, verzoekt betrokkene u thans reeds voor alsdan de procedure aan te houden en betrokkene in de gelegenheid te stellen de stukken te bestuderen en daarop schriftelijk te reageren, alsook betrokkene in de gelegenheid te stellen daarop een toelichting te geven op een nadere terechtzitting.”
6. Uit de beslissing van de kantonrechter van 2 september 2019 blijkt dat de vertegenwoordiger van de officier van justitie ter zitting een tweetal schouwrapporten (en een NMi-verklaring) heeft overgelegd.
7. De zitting van de kantonrechter is bij uitstek de plaats waar de officier van justitie kan reageren op door de gemachtigde naar voren gebrachte (aanvullende) beroepsgronden. Ook kan hij daarbij nieuwe informatie inbrengen (vgl. het arrest van het hof van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3893). De Wahv kent geen bepaling - zoals bijvoorbeeld artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - met betrekking tot het tijdstip dat nog aanvullende stukken kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. De behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de Wahv heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen hun zienswijze nader toe te lichten. Daarbij kunnen partijen reageren op de in het dossier aanwezige stukken. Indien één van de partijen ter zitting nadere stukken overlegt, kan de kantonrechter deze stukken ter zitting aan de orde stellen en partijen daarop laten reageren. Mocht één van de partijen - gelet op het korte tijdsbestek - aangeven niet in staat te zijn adequaat te reageren op de aanvullende informatie, dan dient de kantonrechter de behandeling van de zaak aan te houden. Onder deze omstandigheden zijn er geen beginselen van een behoorlijke procesorde die zich verzetten tegen voeging van de aanvullende informatie in het dossier (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3810).
8. Het hof stelt vast dat de gemachtigde, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen. De gevolgen van de omstandigheid dat de gemachtigde niet op de door de vertegenwoordiger van de officier van justitie ter zitting ingebrachte schouwrapporten heeft gereageerd, komen daarmee voor rekening van de (gemachtigde van de) betrokkene. Het verweer van de gemachtigde treft geen doel.
9. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter de regels inzake de stelplicht en de bewijslastverdeling heeft miskend door de officier van justitie niet op te dragen nadere informatie in het geding te brengen ten aanzien van door de betrokkene in administratief opgeworpen geschilpunten die slechts kunnen worden beslecht indien eerst over die informatie kan worden beschikt. Het betreft in casu alle documenten die zien op de bevoegdheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid van de ambtenaar alsook de betrouwbaarheid van het gebruikte meetmiddel. De bedoelde documenten behoren niet tot de zaakstukken. De kantonrechter heeft ten onrechte verwezen naar artikel 7:18, vierde lid, van de Awb.
10. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb in de fase van het administratief beroep is gehouden op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Het gaat daarbij om de stukken waarop de voor de sanctieoplegging relevante gegevens zijn vermeld en de stukken die de ambtenaar bij het opleggen van de sanctie heeft gebruikt (vgl. het arrest van het hof van 2 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1050). Verder moeten in administratief beroep als op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt de stukken die de officier van justitie in verband met het tegen de opgelegde sanctie gevoerde verweer heeft opgevraagd, alvorens op het administratief beroep te beslissen (vgl. het arrest van het hof van 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6968).
11. Nu de gemachtigde aanvoert dat de gevraagde documenten geen op de zaak betrekking hebbende stukken betreffen en in algemene bewoordingen verweer is gevoerd, is er geen rechtsregel die voorschrijft dat de kantonrechter de officier van justitie diende op te dragen deze stukken aan het dossier toe te voegen (vgl. het arrest van het hof van 5 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1946). Het verweer van de gemachtigde treft geen doel.
12. Voorts stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat hij feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, die twijfel zaaien over de bevoegdheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid van de ambtenaar. De kantonrechter is ten onrechte aan deze gronden voorbijgegaan.
13. De kantonrechter heeft - voorzover relevant - overwogen:
“In dit geval staat de naam van de verbalisant, het nummer van de akte van beëdiging en de rangomschrijving in het zaakoverzicht vermeld. Namens de betrokkene zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel aan de bevoegdheid van de verbalisant.”
14. Uit het zaakoverzicht volgt dat de onderhavige sanctie is opgelegd door ambtenaar “ [nummer1] ”, met rangomschrijving boa domein generieke opsporing en dat die is beëdigd bij akte met nummer [nummer2] .
15. Het hof heeft in het arrest van 23 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10797, overwogen dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Datzelfde geldt indien slechts wordt gesteld dat bepaalde stukken die betrekking hebben op de bevoegdheid van de ambtenaar niet kunnen worden achterhaald.
16. De gemachtigde heeft in hoger beroep afschriften van een akte van beëdiging van 27 januari 2015, een Getuigschrift Buitengewoon Opsporingsambtenaar van 11 december 2014 en van een Verklaring Omtrent het Gedrag van 24 november 2014 overgelegd. In de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde in het beroepschrift aanvullende gronden naar deze stukken verwezen. Uit deze stukken volgt dat de betreffende ambtenaar een boa is. Dat uit een ouder stuk blijkt dat de ambtenaar eerder een andere functie heeft gehad, geeft geen reden tot twijfel dat de ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging een boa domein generieke opsporing was. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de kantonrechter met de onder 13. weergegeven overweging toereikend op het verweer heeft gerespondeerd.
17. De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar in beginsel voldoende grondslag biedt voor de vaststelling van de gedraging.
18. Het hof stelt voorop dat de gemachtigde ten onrechte spreekt van een strafbaar feit waarvoor wettig en overtuigend bewijs noodzakelijk is. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een ambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. De vaststelling dat een gedraging is verricht, kan ook worden gebaseerd op de gegevens in het zaakoverzicht. Die gegevens vormen in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of (de gemachtigde van) de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens. Het verweer kan derhalve niet slagen.
19. Volgens de gemachtigde heeft de kantonrechter miskend dat de beeldregistraties niet voldoen aan de wettelijke vereisten. Uit de door het CJIB openbaar gemaakte NMi-verklaringen blijkt niet dat het meetmiddel aan een eerste onderzoek is onderworpen. Uit het logboek van de Landelijke Eenheid van de politie blijkt dat het handhavingsmiddel kort na de controledatum is uitgeschakeld. Voorts heeft de kantonrechter geen blijk ervan gegeven dat nader onderzoek naar de bebording is aangewezen, aangezien is aangevoerd dat ten tijde van de controle geen bebording is waargenomen waaruit blijkt dat een andere snelheid gold dan de normale maximumsnelheid van 130 kilometer per uur.
20. Het hof stelt vast dat de kantonrechter niet op voormelde gronden heeft beslist. In zoverre slaagt het verweer van de gemachtigde, voldoet de beslissing van de kantonrechter niet aan de eis van artikel 13, tweede lid, van de Wahv en is er derhalve sprake van motiveringsgebreken in de beslissing van de kantonrechter.
21. Het hof zal voormelde gronden beoordelen.
22. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 91,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 12 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 oktober 2017 om 06.50 uur op de A4 links (trajectcontrole) in Leidschendam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
23. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, goedgekeurde en op voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.
Gemeten gemiddelde (afgelezen) snelheid: 116 km/u.
Werkelijke gemiddelde (gecorrigeerde) snelheid: 112 km/u.
Toegestane snelheid: 100 km/u.
Overschrijding met: 12 km/u. (…)
De geconstateerde gemiddelde snelheid was het resultaat van een berekening die plaatsvond op basis van de tijdsduur en de afgelegde wegafstand van het controletraject. (…)
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 38.0L”.
24. De advocaat-generaal heeft twee foto’s van de gedraging overgelegd. Op beide foto’s is het kenteken van het onderhavige voertuig leesbaar. De in de databalk onder de foto’s weergegeven gegevens komen overeen met de informatie in het zaakoverzicht. Daarnaast is onder meer het typegoedkeuringsnummer TP8100 vermeld.
25. De advocaat-generaal heeft tevens een NMi-verklaring d.d. 23 januari 2013 overgelegd, die betrekking heeft op een trajectsnelheidsmeter voor een eerste keuring met typegoedkeuringsnummer TP8100. Uit deze verklaring blijkt dat de trajectsnelheidsmeter voldeed aan de concept voorschriften meetmiddelen politie. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat het meetmiddel aan een eerste onderzoek is onderworpen. Op het tweede blad van deze verklaring is voorts de omschrijving van de trajectlengten weergegeven. Het hof overweegt hierbij nog dat hetgeen de gemachtigde met betrekking tot de waarde van de NMi-verklaring heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting.
26. Het dossier bevat verder een NMi-verklaring d.d. 12 september 2017 die betrekking heeft op een trajectsnelheidsmeter voor herkeuring met typegoedkeuringsnummer TP8100. Uit deze verklaring blijkt dat de trajectsnelheidsmeter voldeed aan de concept voorschriften meetmiddelen politie. Op het tweede blad van deze verklaring is voorts de omschrijving van de trajectlengten weergegeven. De trajectmeting heeft betrekking op de A4 tussen Leidschendam en Leiden, beginnend bij hectometerpaal 42.8 en eindigde bij hectometerpaal 38.0. De verklaring gold voor de duur van twaalf maanden.
27. Uit de omstandigheid dat uit de logging blijkt dat het handhavingsmiddel kort na de controledatum is uitgeschakeld, kan niet worden afgeleid dat het meetmiddel ten tijde van de gedraging niet goed heeft gefunctioneerd.
28. De advocaat-generaal heeft een tweetal processen-verbaal van schouw trajectcontrole overgelegd. Hierin waarin wordt verklaard dat de bebording op het betreffende traject conform wet- en regelgeving is geplaatst. Hierbij wordt verwezen naar de bijlage voor de aangetroffen borden. Uit deze processen-verbaal volgt dat zowel op 8 oktober 2017 als op 22 oktober 2017 de bebording met een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur is gecontroleerd en in orde is bevonden.
29. Het hof is van oordeel dat op basis van de schouwrapporten voldoende is komen vast te staan dat de desbetreffende bebording ten tijde van de gedraging aanwezig en voldoende kenbaar was. De bebording is immers zes dagen voor de dag waarop de snelheidsmeting is verricht, gecontroleerd en in orde bevonden. Daarnaast heeft eenzelfde controle acht dagen na de pleegdatum plaatsgevonden. Dat de betrokkene vanaf hectometerpaal 42.8 het traject is ingereden, is door de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt. De klachten van de gemachtigde falen.
30. Gelet op de arresten van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336, en
1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom behoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.