Uitspraak
2 zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 april 2014,
1.Een veiligheidsstudie is geen maatregel zoals bedoeld in het BRZO 1999
2. Niet kan worden bewezen dat [verdachte] ‘duidelijk onvoldoende’ maatregelen heeft getroffen
3. Er was geen exploitatieverbod uitgevaardigd door een bevoegde autoriteit en dat is wel een voorwaarde om te kunnen bewijzen dat is gehandeld in strijd met artikel 23 BRZO Pro 1999
4.Overige verweren ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
5.Overige verweren ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
De gevaren van ethyleenoxide waren immers niet volledig door [verdachte] geïdentificeerd. Zo ontbrak een beschrijving van het gevaar van explosieve ontleding, terwijl dit gevaar algemeen bekend is in de literatuur. Daarnaast is binnen de chemische industrie algemeen bekend dat toevoeging van stikstof de kans op een explosieve ontleding kan verminderen. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat het gevaar van een explosieve ontleding van ethyleenoxide wel is vermeld in een document dat door [verdachte] is gebruikt bij de Hazop uit 1995. In de verslaglegging van de door [verdachte] verrichte veiligheidsstudie zijn dit gevaar en dit risico echter niet onderkend.
- [verdachte] heeft (onderdelen van) de inrichting in werking gehouden terwijl zij duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan;
- door [verdachte] zijn van 75% van de bij haar aanwezige installaties de gevaren niet geïdentificeerd en de risico’s op zware ongevallen niet beoordeeld;
- [verdachte] begint met de realisatie van nieuwe installaties zonder dat de veiligheidsstudies ten behoeve van die installaties zijn afgerond.
5 maart 2014 tot 10 april 2014 heeft gewerkt met installaties ten aanzien waarvan geen volledige veiligheidsstudie aanwezig was.
- de gevaren van de stof dimethylsulfaat in de spoorketelwagen zijn slechts door één persoon bekeken in plaats van door een Hazop-team. Dit is in strijd met de
- bij de veiligheidsstudie ten aanzien van de opslagtank van de stof
- de veiligheidsstudie met betrekking tot de Cocon 1000 is niet uitgevoerd volgens de door [verdachte] vastgelegde werkwijze, aangezien er geen brainstormsessie heeft plaatsgevonden in het kader van het opstellen van deze veiligheidsstudie;
- in de veiligheidsstudie ten aanzien van de opslagen 47000 zijn niet alle gevaren en de gevolgen daarvan door [verdachte] meegenomen. Daarbij komt dat de gidswoorden die bij deze studie zijn gebruikt niet gelijk zijn aan de gidswoorden in de Hazop-studie. Gelet op het voorgaande heeft [verdachte] ook voor wat betreft de veiligheidsstudie van de opslagen 47000 niet gewerkt volgens haar eigen procedure.
- niet alle gidswoorden zijn gebruikt voor alle nodes;
- het gevaar van opsluiting van vloeibare gevaarlijke stoffen in leidingen niet altijd is onderkend;
- er niet is gewerkt volgens de door [verdachte] opgestelde procedure.
15 september 2012 staat dat [verdachte] van alle bestaande installaties de risico’s had geïnventariseerd door middel van installatiescenario’s, maakt dit oordeel niet anders. In dit verband overweegt het hof in de eerste plaats dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het niet voldoende is om de risico’s enkel in kaart te brengen door middel van een installatiescenario. Een installatiescenario is immers niet geschikt als veiligheidsstudie omdat het met een ander doel wordt geschreven. Het hof leidt uit de toepasselijke voorschriften en bewijsmiddelen af dat een veiligheidsstudie nodig is om te weten welke installatiescenario’s kunnen worden beschreven. Uit het proces-verbaal ‘Wat is een veiligheidsstudie’ van 7 juli 2015 blijkt bovendien nog het volgende. Met behulp van een installatiescenario kan een bedrijf uitsluitend aantonen dat zij maatregelen heeft genomen voor een specifiek scenario. In het veiligheidsrapport moeten scenario’s worden opgesteld voor de grootste risico’s van de installaties die bij het bedrijf aanwezig zijn. Een installatiescenario is - zoals hiervoor al is beschreven - niet in de eerste plaats bedoeld om gevaren te inventariseren. Daar is een veiligheidsstudie juist voor bedoeld. Een installatiescenario is derhalve geen veiligheidsstudie zoals bedoeld in Bijlage II, onder c, bij het BRZO 1999. Door middel van uitsluitend een installatiescenario kan dus niet worden aangetoond dat de gevaren en de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen voldoende zijn geïdentificeerd. [verdachte] had per installatie een integrale veiligheidsstudie moeten uitvoeren. Uit de hiervoor vastgestelde feitelijke gang van zaken blijkt dat [verdachte] in de periode van 4 maart 2014 tot en met 1 april 2014 van ongeveer 75% van de bij haar aanwezige installaties met gevaarlijke stoffen geen volledige veiligheidsstudie had uitgevoerd. Alleen al daarom kan naar het oordeel van het hof worden bewezen dat [verdachte] in deze periode duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van zware ongevallen. De omstandigheid dat [verdachte] op 10 april 2014 alle ontbrekende veiligheidsstudies alsnog heeft uitgevoerd, betekent niet dat [verdachte] ook in de periode van 4 maart 2014 tot en met 1 april 2014 voldoende maatregelen heeft genomen om zware ongevallen te voorkomen. In die periode was van meer dan 75% van de installaties bij [verdachte] geen volledige veiligheidsstudie uitgevoerd en waren de risico’s op zware ongevallen niet voldoende in kaart gebracht. Dat had wel gemoeten. Uit de hiervoor weergegeven regelgeving en de toelichting daarop leidt het hof af dat een veiligheidsstudie in de vorm van een schriftelijk document aanwezig moet zijn bij de exploitant van de inrichting. De gestelde omstandigheid dat alle kennis reeds bij [verdachte] aanwezig was omdat zij - zo stelt de verdediging - in vijf weken tijd een toereikende veiligheidsstudie wist te produceren voor 75% van haar installaties staat dus ook geen bewezenverklaring in de weg. In de periode van 4 maart 2014 tot en met 1 april 2014 was deze kennis - nog daargelaten de vraag of en, zo ja, waar en bij wie die kennis toen daadwerkelijk aanwezig was bij [verdachte] - immers niet vastgelegd in een schriftelijke veiligheidsstudie.
1 april 2014 van ongeveer 75% van de bij haar aanwezige installaties met gevaarlijke stoffen geen volledige veiligheidsstudie had uitgevoerd. Bewezen is dus ook - gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen - dat [verdachte] in die periode geen deugdelijk veiligheidsbeheerssysteem heeft ingevoerd. De omstandigheid dat [verdachte] een veiligheidsrapport heeft ingediend dat volgens de betrokken bestuursorganen zou voldoenaan de eisen van artikel 10, eerste lid, BRZO 1999 maakt dit oordeel niet anders.
1 januari 2013 tot en met 11 april 2014,
,
,
of een onderdeel daarvanin werking heeft gehouden,
, althans een of meer onderdelen daarvan,
/warenzonder dat voor een groot aantal (ongeveer 75%) van de in die inrichting aanwezige installaties met gevaarlijke stoffen een (deugdelijke/volledige) veiligheidsstudie was uitgevoerd en/of de aanwezige risico’s (afdoende) waren herkend en (voldoende) werden beheerst,
en/of kenden de werkgever/werknemer in die gevallen niet of onvoldoende de gevaren binnen de inrichting en/of gaven ze blijk de risico’s onvoldoende te beheersen en/of was er in die gevallen niet gestructureerd bepaald en geborgd welke maatregelen genomen waren of moesten worden getroffen om zware ongevallen daadwerkelijk te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken;
2.zij in de periode van 12 december 2013 tot en met 11 april 2014,
,
,
(tot 21 januari 2014
) geen, althansonvoldoende maatregelen had getroffen om te voorkomen dat ethyleenoxide explosief kon ontleden;
(op
1 april 2014 en/of11 april 2014
)binnen voormelde inrichting werd gewerkt in strijd met de (eigen) opgestelde procedures;
/ofde beoordeling van de risico’s van zware ongevallen en de ongewenste gebeurtenissen die tot zware ongevallen kunnen leiden die zich bij normale en abnormale werking kunnen voordoen en
/ofde beoordeling van de kans op en de omvang van die ongevallen
niet, althansonvoldoende, vastgelegd in procedures;
geldboetevan
€ 180.000,00 (honderdtachtigduizend euro).
€ 40.000,00 (veertigduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.