AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens tussenvonnis in aannemingsovereenkomst
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen appellante en geïntimeerde over een aannemingsovereenkomst voor de renovatie van een woning. Appellante vorderde vervangende schadevergoeding wegens tekortkomingen en bijkomende schade na oplevering. De rechtbank Gelderland had op 9 december 2020 een tussenvonnis gewezen waarin nog geen definitief einde aan het geding werd gemaakt.
Appellante stelde hoger beroep in tegen dit tussenvonnis, maar geïntimeerde voerde incidenteel verweer en stelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 337 lid 2 RvPro, dat tussentijds hoger beroep verbiedt tenzij de rechter anders beslist. Het hof oordeelde dat het vonnis van 9 december 2020 inderdaad een tussenvonnis is en dat de rechtbank geen tussentijds hoger beroep had toegestaan.
Daarom verklaarde het hof het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk en veroordeelde haar in de kosten van het hoger beroep. Dit arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het instellen tegen een tussenvonnis en veroordeelt appellante in de kosten.
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 23 september 2020, 9 december 2020 en 10 maart 2021 die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft gewezen.
2.Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 maart 2021,
- de memorie van grieven (met productie),
- de incidentele memorie van eis strekkende tot niet-ontvankelijkheid van appellante,
- de memorie van antwoord in het incident.
2.2
Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.1
[appellante] en [geïntimeerde] hebben in 2019 een overeenkomst van aanneming van werk met elkaar gesloten voor de renovatie van de woning van [appellante] . [appellante] heeft in eerste aanleg vervangende schadevergoeding gevorderd vanwege de tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, de dubbele woonlasten en de overige schade die het gevolg is van de gebreken na oplevering. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en betwist te zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [geïntimeerde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [appellante] in haar vorderingen.
3.2
De rechtbank acht het nodig een deskundigenadvies in te winnen met betrekking tot de dakconstructie en de draagconstructie van de dakkapel. Het is aan partijen om af te wegen of zij van die deskundige ook een oordeel wensen over de kantstukken en de zetkappen of dat zij die punten, ter voorkoming van verdere kosten, in gezamenlijk overleg op kunnen lossen. In het bestreden vonnis van 9 december 2020 stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de perso(o)n(en) van de deskundige en de aan de aan de deskundige voor te leggen vragen.
3.3
[appellante] heeft bij dagvaarding van 5 maart 2021 hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Zij vordert dat het hof het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen in conventie alsnog toewijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
3.4
[geïntimeerde] vordert bij incidentele memorie van eis de niet-ontvankelijk verklaring van [appellante] in dit hoger beroep, omdat het vonnis van 9 december 2020 een tussenvonnis betreft. Daarin heeft [geïntimeerde] gelijk. Artikel 337 lid 2 RvPro bepaalt dat van een tussenvonnis slechts tegelijk met het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. De bedoeling van de wetgever, met het verbod van tussentijds hoger beroep, was om fragmentatie van de instructie in een zaak, vertraging en processuele complicaties tegen te gaan en dus de doelmatigheid en snelheid van de procedure te bevorderen. [1] Het vonnis van 9 december 2020 is een tussenvonnis en geen deelvonnis. De rechtbank heeft weliswaar over diverse onderdelen van de vordering van [appellante] in de overwegingen van dat vonnis een beslissing genomen maar nog niet met betrekking tot enig deel van het gevorderde een einde gemaakt aan het geding. De rechtbank heeft ook geen tussentijds hoger beroep opengesteld in dit vonnis en in het daarop volgende vonnis van 10 maart 2021. Hofman-ten Hage zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen.
3.5
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden begroot op € 338,- aan verschotten (griffierecht) en op € 1.114,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x appeltarief II).
5.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 december 2020;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 338,- aan verschotten en op € 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, Th.C.M. Willemse en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021.