Uitspraak
1.[geïntimeerde1] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
A. Inleiding
"op grond van een uitspraak van de Hoge Raad van zestien september tweeduizend veertien blijven de uittredende vennoten aansprakelijk voor de verplichtingen van de vennootschap ten tijde van de uittreding".
FYSIO BARNEVELD” en heeft haar zetel te Barneveld.
de goodwill”;
de buitenvennootschappelijke investering”, terzake de uitkoop van de vorige maten te voldoen en de hoogte daarvan in verband met eventuele daarop te plegen afschrijvingen/verrekeningen;
-87.585 -74.553
-87.981 -
3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.De beoordeling van de grieven en de vorderingen
in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep
“Maatschapsakte d.d. 28 februari 2016”.Blijkens de inhoud van die akte gaat het om een conceptakte van uittreding Fysio Barneveld, waarin een deel van de vennootschapsovereenkomst vastgesteld bij akte op 28 februari 2014 is opgenomen. Ook blijkt uit dit stuk dat partijen gekozen hebben voor de rechtsvorm van een vennootschap onder firma. Nu partijen het er over eens zijn dat in voornoemde akte de bepalingen zijn opgenomen die tussen partijen gelden, zal ook het hof hiervan uitgaan. In het hierna volgende zal deze akte worden aangeduid als de akte.
“voor het boekjaar direct voorafgaand aan het boekjaar waarin de berekening moet worden gemaakt”. Van een normalisatie blijkt hieruit dus niet. Ook artikel 7A geeft geen aanknopingspunten voor normalisatie. Dat partijen de berekening van de goodwill niet volledig hebben uitgewerkt in de akte zoals hiervoor onder 3.2. weergegeven maakt het voorgaande evenmin anders. Evenmin volgt dat normalisatie is overeengekomen uit hetgeen partijen over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen. Het enkele feit dat normalisatie een gebruikelijke wijze van berekening van de goodwill zou zijn bij fysiotherapiepraktijen acht het hof onvoldoende om te kunnen concluderen dat [geïntimeerden] c.s. redelijkerwijs moesten verwachten dat die normalisatie ook tussen partijen gold. Partijen zijn het er over eens dat bij het uittreden van [naam1] en [naam2] de uit te betalen goodwill tot stand is gekomen door het voeren van onderhandelingen; partijen zijn in onderling overleg tot een bedrag gekomen en hebben toen niet de bepalingen uit voornoemde akte gevolgd. Derhalve bieden de aan [naam1] en [naam2] uitgekeerde bedragen aan goodwill ook geen aanknopingspunten voor de aan [appellant] toe te kennen goodwill. Het benoemen van een deskundige behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de rechter. Het hof heeft, net zo min als de rechtbank dat had, behoefte aan deskundige voorlichting op dit punt. Temeer niet omdat [appellant] , zoals de rechtbank ook al heeft overwogen in 4.4.3. op zich de door [geïntimeerden] c.s. in eerste aanleg gestelde cijfers over 2016 niet heeft betwist. Dat in 2016 incidentele kosten zijn gemaakt (zie onder meer punt 25 e.v. memorie van grieven) maakt niet dat de berekening van de rechtbank in rechtsoverweging 4.4.3. niet gevolgd kan worden. Het jaar 2016 is nu eenmaal het boekjaar dat als peildatum heeft te gelden. Nergens blijkt uit dat partijen zijn overeengekomen om allerlei incidentele kosten in dat jaar buiten beschouwing te laten of te middelen.
- griffierecht € 1.684,00
- salaris advocaat € 3.278,00 (1 punt x tarief € 3.278,00)
“aangekochte goodwill in privé (buitenvennootschappelijk)”, waarop [appellant] heeft gereageerd met:
“Prima”.
“Uitkering/betaling uittredende vennoten”staat dat hetgeen de uittredende vennoten ontvangen wegens hun aandeel in het vennootschapsvermogen inclusief goodwill uitkering door de voortzettende vennoten is overgemaakt aan de uittredende vennoten. Aldus blijkt uit deze akte (zoals weergegeven onder 3.2.) in onderling verband en samenhang bezien met het feitelijk handelen door partijen zoals hiervoor is vermeld, dat het de bedoeling van partijen is geweest om de goodwill van de maten [naam1] en [naam2] naar rato van ieders aandeel in de onderneming te voldoen. Dat partijen vervolgens boekhoudkundig een en ander hebben verwerkt zoals zij hebben gedaan, maakt niet dat partijen een van voormelde akte afwijkende overeenkomst hebben gesloten waardoor deze betalingen anders moesten worden gezien dan als voldoening van een bedrag waartoe de voortzettende vennoten ingevolge artikel 9 gehouden Pro waren. Dat vervolgens korte tijd later [geïntimeerden] c.s. de vennootschap onder firma hebben opgezegd jegens [appellant] betekent dan niet dat [appellant] geen recht meer heeft op de door hem gedane betaling. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat deze investering van [appellant] bezwaarlijk anders kan worden geduid dan als inbreng als bedoeld in artikel 3 van Pro de akte. Uit de eigen stellingen en feitelijke handelingen door hun eigen inbreng van [geïntimeerden] c.s. volgt dat die inbreng van [appellant] met instemming van hen is gebeurd, zoals bedoeld in lid 1 van artikel 3. Omstandigheden die op een andere duiding wijzen zijn niet naar voren gebracht. Ingevolge artikel 4 van Pro de akte wordt de inbreng van [appellant] onderdeel van zijn kapitaalrekening. Het saldo van de kapitaalrekening dient in ieder geval ingevolge artikel 11 van Pro de akte aan [appellant] bij de opzegging van de vennootschap door [geïntimeerden] c.s. te worden uitgekeerd.