ECLI:NL:GHARL:2022:10318

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
21/00206
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 24 RVV 1990
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks bezwaar over parkeerverbod nabij kruising

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 9 september 2019 geparkeerd stond aan de Louis Couperusstraat te Utrecht zonder dat de parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en ook de rechtbank Midden-Nederland wees het beroep af.

Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de auto geheel stond op minder dan vijf meter van een kruising, waardoor parkeren verboden zou zijn volgens artikel 24, eerste lid, aanhef en letter a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Het hof oordeelde echter dat uit de foto's bleek dat de auto geparkeerd stond op een plek waar dat niet verboden was, namelijk aan de schoolzijde parallel aan de trottoirband en op meer dan vijf meter van de kruising.

De bewijslast lag bij de heffingsambtenaar, die aannemelijk maakte dat geen sprake was van parkeren in strijd met een wettelijk voorschrift. Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het hof besloot het hoger beroep ongegrond te verklaren en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

De uitspraak werd gedaan door de derde meervoudige belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 november 2022. Partijen werden in de gelegenheid gesteld om te reageren op relevante arresten van de Hoge Raad, maar het hof besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten vanwege het uitblijven van reactie.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/00206
uitspraakdatum: 29 november 2022
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 januari 2021, nummer UTR 20/582, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan
Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Bij brieven van 3 juni 2021 heeft het Hof aan partijen medegedeeld dat de zaak wordt aangehouden in verband met een lopende cassatieprocedure bij de Hoge Raad (met zaaknummer 20/03717). Partijen hebben hiertegen geen bezwaren geuit.
1.6.
Bij brief van 15 maart 2022 heeft het Hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld te reageren op de arresten van de Hoge Raad van 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:156 (zaaknummer 20/03717), ECLI:NL:HR:2022:157 en ECLI:NL:HR:2022:346.
1.7.
In een nader stuk heeft belanghebbende hierop gereageerd.
1.8.
Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Op 9 september 2019 om 11:02 uur is geconstateerd dat de auto van belanghebbende geparkeerd stond aan de Louis Couperusstraat te Utrecht (voor de Van Asch van Wijckschool, nabij een verkeersdrempel) en dat geen parkeerbelasting is voldaan (hierna: de constatering). Van de constatering zijn foto’s gemaakt, waarop te zien is waar de auto toen stond.
2.2.
Naar aanleiding van de constatering is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.3.
De naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft in bezwaar en beroep standgehouden.

3.Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt – kort gezegd – dat onder parkeren in de zin van die wet wordt verstaan het doen of laten staan van een voertuig op binnen de gemeente gelegen voor openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. De Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2019 gemeente Utrecht bevat een gelijkluidende bepaling.
4.2.
Het deel van de Louis Couperusstraat te Utrecht waar de auto van belanghebbende stond geparkeerd valt binnen de zone B1 te Utrecht. Op het tijdstip waarop de auto geparkeerd stond is volgens voornoemde Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel een parkeerbelasting van € 2,93 per uur verschuldigd.
4.3.
Belanghebbende betoogt dat de auto geheel stond op minder dan vijf meter van een kruising, hetgeen verboden is in artikel 24, eerste lid, aanhef en letter a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Daarmee is volgens belanghebbende geen sprake van parkeren in de hiervoor bedoelde zin.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar, op wie de bewijslast rust, met de foto’s van de constatering aannemelijk gemaakt dat de auto geheel geparkeerd stond op een deel van de weg waar dat niet is verboden (aan de schoolzijde, parallel aan de trottoirband, op meer dan vijf meter van een kruising). Uit die foto’s komt ook overigens niet het beeld naar voren dat sprake is van parkeren in strijd met een wettelijk voorschrift. Dat betekent dat ter zake van dat parkeren parkeerbelasting is verschuldigd. Aangezien de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, is aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag opgelegd.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2022.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (V.F.R. Woeltjes)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 november 2022
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.