Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2] ,
[geïntimeerde3] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde een geschil tussen erfgenamen over investeringen in een woning behorende tot de nalatenschap van hun moeder. Appellant stelde als economisch eigenaar recht te hebben op koop van de woning en vorderde vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn primaire vorderingen en dat de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking niet toewijsbaar is. Hoewel appellant investeringen deed die tot waardestijging van de woning hebben geleid, was het gebruik van de woning tegen een extreem lage huurprijs en heeft appellant bewust afgezien van koop in 2002.
De waarde van de woning werd betwist en het hof kon geen conclusies verbinden aan het ingediende taxatierapport. De verarming van appellant werd gecompenseerd door de huurbetalingen en het feit dat hij geen vergoeding betaalde na het overlijden van moeder.
Het hof concludeerde dat de verrijking van de andere erfgenamen ongerechtvaardigd is, maar dat het niet redelijk is dat zij een aanvullende schadeloosstelling aan appellant betalen. Het hoger beroep faalt en de eerdere vonnissen worden bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van appellant op grond van ongerechtvaardigde verrijking af en bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank.