Appellanten gebruikten percelen van het hoogheemraadschap langs een dijk en een water en stelden dat er een reguliere pachtovereenkomst voor de dijkpercelen en een bruikleenovereenkomst voor de percelen aan het water bestond. Het hof oordeelde dat deze overeenkomsten niet tot stand zijn gekomen.
De appellanten hadden jarenlang percelen in gebruik, waarbij eerdere driejarige pachtovereenkomsten waren gesloten, maar sinds 2003 geen nieuwe schriftelijke overeenkomsten. In 2016 tekenden zij een geliberaliseerde pachtovereenkomst, die het hof niet als reguliere pachtovereenkomst kwalificeerde. Ook het beroep op rechtsdwaling en misbruik van omstandigheden faalde.
Ten aanzien van de percelen aan het water was onduidelijk of een bruikleenovereenkomst bestond. Het hof nam aan dat het hoogheemraadschap het gebruik redelijk heeft beëindigd met een termijn van zes maanden. Appellanten hadden geen recht of titel meer tot gebruik van de percelen, waardoor de ontruiming terecht was.
De procedurekostenveroordeling bleef in stand en het hoger beroep werd afgewezen, waarmee het vonnis van de pachtkamer werd bekrachtigd.