Belanghebbende was gehuwd in gemeenschap van goederen met de heer die in 2013 overleed en houdt via een stichting alle aandelen in een BV die deel uitmaakt van een concern. Zij heeft een rekening-courantvordering op deze BV, die zij wilde afwaarderen in haar belastingaangifte 2015. De inspecteur weigerde deze afwaardering te accepteren omdat hij de vordering onzakelijk achtte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelt anders. Het hof stelt vast dat op balansdatum 31 december 2015 het eigen vermogen van de BV negatief was en dat er een reëel risico bestond dat de vordering niet volledig zou worden terugbetaald, waardoor afwaardering op grond van goed koopmansgebruik is toegestaan.
De inspecteur voerde aan dat de vordering onzakelijk is omdat geen afspraken over rente, aflossing of zekerheden bestonden, maar het hof vindt dat de inspecteur dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook de interne compensatie van huur en rente is door het hof bevestigd, waardoor de aanslag is verminderd.
Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken van de inspecteur, vermindert de aanslag IB/PVV en vernietigt de aanslag Zvw. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.