De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van het kinderdagverblijf per 1 januari 2018 vast op €455.000 voor het belastingjaar 2019, wat leidde tot aanslagen onroerendezaakbelasting. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €381.000 voor, met name vanwege een bepleite correctie wegens functionele veroudering en afwijkende restwaarden en levensduur van installaties.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de zitting op 27 juli 2022 werden de standpunten nader toegelicht en werd een proces-verbaal opgemaakt. Het hof oordeelde dat de waarde moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde volgens de Wet WOZ en dat de taxatiewijzer en kengetallen als uitgangspunt gelden.
Belanghebbende bracht onvoldoende bewijs aan voor economische veroudering, waardoor de heffingsambtenaar niet hoefde te corrigeren voor functionele veroudering. Ook de door belanghebbende voorgestelde lagere restwaarden en kortere levensduur van installaties konden de vastgestelde waarde niet ondergraven. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door het hof te Arnhem op 6 september 2022, met mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending.