Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen watersysteemheffing gebouwd, ingezetenen en zuiveringsheffing over 2019 en stelde de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op deze bezwaren. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslagen ingezetenen en zuiveringsheffing, maar stelde uitstel voor de aanslag gebouwd vanwege een lopend bezwaar tegen de WOZ-waarde. De heffingsambtenaar stelde tevens dat geen dwangsom was verbeurd.
Belanghebbende stelde bezwaar tegen de dwangsombeschikking en startte diverse beroepen bij de rechtbank, die deze niet-ontvankelijk verklaarde, omdat belanghebbende de beroepen tegen de aanslagen en dwangsommen had ingetrokken. Het Hof oordeelt dat uit de intrekkingsbrief niet ondubbelzinnig blijkt dat ook de beroepen tegen de dwangsommen zijn ingetrokken, en dat de rechtbank ten onrechte deze beroepen niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het Hof stelt vast dat de heffingsambtenaar geen aannemelijk bewijs heeft geleverd dat belanghebbende heeft ingestemd met uitstel van beslistermijn, waardoor de maximale dwangsom van €1.442 is verbeurd. Voor de dwangsombeschikkingen zelf kan geen dwangsom worden verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen deze beschikkingen. Het Hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van de dwangsom, wettelijke rente vanaf 18 december 2019, proceskosten van €3.036 en vergoeding van het griffierecht.