In deze bestuursrechtelijke belastingzaak staat centraal of de kwijtschelding van leningen door een BV aan haar aanmerkelijkbelanghouder in 2015 als een winstuitdeling moet worden aangemerkt, of dat deze uitdeling al in eerdere jaren heeft plaatsgevonden. De leningen werden verstrekt in de jaren negentig en later niet afgelost, waarbij de BV geen zekerheden heeft uitgeoefend.
De rechtbank had het beroep van belanghebbenden gegrond verklaard en de aanslag verminderd, waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang werd gehalveerd. De Inspecteur stelde dat de winstuitdeling pas in 2015 plaatsvond door de formele kwijtschelding.
Het hof oordeelt dat belanghebbenden onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er vanaf het begin geen terugbetalingsverplichting was of dat de schuld vóór 2015 teniet was gedaan. De voortdurende rentebetalingen, aflossingen en administratieve verwerking wijzen op een reële terugbetalingsverplichting tot 2015. De kwijtschelding in 2015 heeft het vermogen van de BV definitief verlaten, waardoor de winstuitdeling in dat jaar plaatsvond.
Het hof vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.