Belanghebbende, kleinzoon van oud-KNIL-militairen, maakte bezwaar tegen de aanslagen watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing woningen over 2019. Hij stelde geen ingezetene te zijn maar staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. Het hof oordeelde dat de aanslagen terecht zijn opgelegd omdat belanghebbende volgens de basisregistratie personen woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en gebruik maakt van woonruimte.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant had eerder het beroep ongegrond verklaard, en het hof bevestigt deze uitspraak. De wijze waarop de inschrijving in de basisregistratie personen tot stand is gekomen, is niet relevant voor de heffing van de watersysteemheffing. Voor de zuiveringsheffing is van belang dat belanghebbende gebruiker is van de woning.
Daarnaast verwierp het hof het betoog dat op grond van andere regelingen, zoals het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen, de Nederlandse Staat verantwoordelijk zou zijn voor het voldoen van de heffingen. Het hof verwees naar eerdere uitspraken waarin dergelijke stellingen zijn verworpen en cassatieberoepen niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Het hoger beroep is daarmee ongegrond verklaard. Het hof zag geen aanleiding om het griffierecht te vergoeden en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 april 2024.