Twentevis huurde een bedrijfshal van [geïntimeerde1], die de huurovereenkomst opzegde en ontruiming vorderde. Na procedures werd bepaald dat de hal op 1 augustus 2019 ontruimd moest zijn. Twentevis verwijderde toen al de meeste zaken, maar liet visbassins en installaties achter.
Twentevis stelde dat [geïntimeerde1] misbruik maakte van zijn bevoegdheid tot ontruiming, maar het hof sloot zich aan bij het oordeel van de kantonrechter dat dit niet het geval was. Het belang van [geïntimeerde1] bij het gebruik van de hal was reëel en de huurovereenkomst was beëindigd.
Het hof oordeelde dat Twentevis de visbassins en installaties alsnog moet verwijderen, omdat de huurovereenkomst en de toepasselijke ROZ-voorwaarden voorschrijven dat het gehuurde leeg en in oorspronkelijke staat moet worden opgeleverd. Een vermeende afspraak dat de viskwekerij mocht blijven staan was onvoldoende onderbouwd.
Verder wees het hof de vordering van [geïntimeerde1] af om de dwangsom te verhogen en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad. Twentevis werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan [geïntimeerde1].