De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een verzorgingshuis per 1 januari 2018 vast op €1.240.000, welke waarde door belanghebbende werd betwist. Belanghebbende voerde aan dat de bruto vervangingswaarde te hoog was vastgesteld, dat moest worden afgeweken van de restwaarden volgens de Taxatiewijzer en dat een functionele correctie van 30% toegepast moest worden vanwege leegstand.
Tijdens de zitting op 31 januari 2023 werd vastgesteld dat de waardering gebaseerd moest zijn op de gecorrigeerde vervangingswaarde conform de Wet WOZ en de Taxatiewijzer. Belanghebbende kon echter haar stellingen onvoldoende onderbouwen, onder meer omdat het aangevoerde rapport over restwaarden betrekking had op kinderdagverblijven en niet op verzorgingshuizen.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de gehanteerde bruto vervangingswaarde en restwaarden niet te hoog waren, mede door verwijzing naar marktgegevens en transacties van vergelijkbare zorginstellingen. Ook de bepleite functionele correctie wegens leegstand werd verworpen omdat deze leegstand het gevolg was van een aanstaande verkoop en niet van structurele overcapaciteit.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.