ECLI:NL:GHARL:2024:1987

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
20 maart 2024
Zaaknummer
23/1203
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende B.V. stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland, maar het Hof verklaarde dit hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de beroepstermijn. Belanghebbende tekende daarop verzet aan en voerde aan dat het beroepschrift tijdig was verzonden via een bij de ACM geregistreerd postvervoerbedrijf, anders dan de traditionele postaanbieder.

Het Hof behandelde het verzet en overwoog dat recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de hoogste bestuursrechters een ruimere uitleg van 'verzending per post' vereist dan alleen via de traditionele postaanbieder. Aangezien het postbedrijf waarmee belanghebbende verzond geregistreerd is bij de ACM, achtte het Hof het aannemelijk dat het beroepschrift tijdig ter post was bezorgd, ondanks ontvangst na de termijn.

Daarmee werd het verzet gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring verviel en het onderzoek werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor de behandeling van het verzet.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1203
uitspraakdatum: 19 maart 2024
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het verzet van
[belanghebbende] B.V.te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 28 november 2023 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 3 maart 2023, nummer ARN 22/3369, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteurvan de
Belastingdienst/Douane Noord - kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 28 november 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is overschreden. De uitspraak is op 29 november 2023 aangetekend aan partijen verzonden.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend. Het verzetschrift is gedagtekend 3 januari 2024 en op 4 januari 2024 in het digitale zaaksdossier geplaatst.
1.3.
Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 13 februari 2024 te Arnhem. Ter zitting is gehoord de gemachtigde van belanghebbende, mr. R. Zilver.

2.Gronden van het verzet

2.1.
Belanghebbende heeft in het verzetschrift en ter zitting van het Hof aangevoerd dat het hogerberoepschrift op vrijdag 14 april 2023, de laatste dag van de termijn, aangetekend is verzonden via [naam1] . Dit is, aldus belanghebbende, een postvervoersbedrijf, dat zich richt op de juridische markt (advocatenkantoren, gerechtsdeurwaarders etc.). Verder voert belanghebbende aan dat de termijnoverschrijding – gelet op de informatie op de website van [naam1] – in ieder geval verschoonbaar is.
2.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet.
3.
Beoordeling van het verzet
3.1
De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken. [1] Die termijn vangt aan met ingang van de dag na die van verzending van de uitspraak door de Rechtbank. [2] Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de hogerberoepstermijn is ontvangen. Bij verzending per post is een hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen [3] . Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend hogerberoepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest [4] .
3.2.
De in hoger beroep bestreden uitspraak van de Rechtbank is op (vrijdag) 3 maart 2023 aangetekend aan partijen toegezonden. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift is aangevangen op 4 maart 2023 en zes weken nadien, dus op (vrijdag) 14 april 2023, geëindigd. Het hogerberoepschrift is blijkens de op dit document gezette stempel op (maandag) 17 april 2023 afgegeven bij de Informatiebalie van het Arrondissement Gelderland te Arnhem en derhalve na afloop van de termijn ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is belanghebbende desondanks ontvankelijk in haar hoger beroep indien zij aannemelijk maakt dat zij het hogerberoepschrift tijdig, uiterlijk 14 april 2023, ter post heeft bezorgd.
3.3.
Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat het hogerberoepschrift op 14 april 2023 ter verzending is aangeboden aan [naam1] .
3.4.
De Hoge Raad heeft geoordeeld [5] dat alleen verzending via Post NL kan worden gezien als ‘verzending per post’ in de zin van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. De andere hoogste bestuursrechters hebben in het verleden in gelijke zin beslist.
3.5.
Op 27 maart 2019 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie [6] (hierna: HvJ EU) echter geoordeeld dat de Richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (97/67/EG), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2008/6/EG, zich verzet tegen een nationale regeling die, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging wegens redenen van openbare orde of openbare veiligheid bestaat, alleen de afgifte van een processtuk in een postkantoor van de enige voor de universele postdienst aangewezen aanbieder, erkent als gelijkwaardig aan de indiening van het processtuk bij de betrokken rechterlijke instantie.
3.6.
Hierin hebben de Centrale Raad van Beroep [7] en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [8] aanleiding gezien om onder verzending per post in de zin van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb niet langer uitsluitend te verstaan verzending via [naam2] . Een bezwaar- of (hoger)beroepschrift is derhalve ook tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn bij een andere postaanbieder dan [naam2] ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Onder ‘andere postaanbieder’ wordt voor in Nederland ter post bezorgde stukken verstaan ieder bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) geregistreerd postvervoerbedrijf. Artikel 41 van Pro de Postwet 2009 (Postwet) legt een mededelingsplicht bij de ACM op aan alle ondernemingen die postvervoersdiensten aanbieden. De ACM registreert het postvervoerbedrijf na ontvangst van de in artikel 41 van Pro de Postwet bedoelde mededeling. De ACM ziet toe op de naleving van de verplichtingen voor de geregistreerde postvervoerbedrijven zoals vastgesteld in de Postwet en controleert onder meer of deze postvervoerbedrijven veilig omgaan met post van verzender tot ontvanger. Hieruit volgt dat sprake is van enige waarborg en controle van de kwaliteit van postbezorging door een bij de ACM geregistreerd postvervoerbedrijf.
3.7.
Gelet op de recente jurisprudentie van het HvJ EU en de andere hoogste bestuursrechters, is het Hof – in afwijking van voornoemd arrest van de Hoge Raad – van oordeel dat verzending per post als bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb ruimer moet worden opgevat dan alleen de verzending via [naam2] . [naam1] is een bij de ACM geregistreerd postbedrijf, zodat het hogerberoepschrift tijdig is ingediend indien belanghebbende aannemelijk maakt dat het hogerberoepschrift via [naam1] is verzonden en voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.
3.8.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende in de op haar rustende bewijslast geslaagd. Met de overgelegde stukken en de verklaring van de gemachtigde ter zitting is naar het oordeel van het Hof aannemelijk geworden dat het hogerberoepschrift via [naam1] is verzonden. Op de enveloppe bevindt zich weliswaar geen poststempel van [naam1] , maar voor een dergelijke situatie heeft de Hoge Raad als bewijsrechtelijk uitgangspunt geformuleerd dat moet worden aangenomen dat – in de situatie dat aannemelijk is dat een brief per post is verzonden – een bezwaar- of beroepschrift tijdig ter post is bezorgd indien het op de eerste of tweede werkdag na het einde van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, tenzij het tegendeel komt vast te staan [9] .
3.9.
Het hogerberoepschrift is op (maandag) 17 april 2023 ontvangen. Dit is de eerste werkdag na het einde van de beroepstermijn. Nu het tegendeel niet is komen vast te staan, neemt het Hof aan dat het hogerberoepschrift tijdig ter post is bezorgd.
3.10.
Op grond van het voorgaande moet het verzet gegrond worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak van 28 november 2023 komt te vervallen en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. [10]

4.Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het verzet heeft moeten maken [11] en stelt die kosten overeenkomstig het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht vast op € 218,75 (1 punt (verzetschrift, zitting) x wegingsfactor 0,25 x € 875).

5.Beslissing

Het Hof:
– verklaart het verzet tegen de uitspraak van 28 november 2023 gegrond,
– verstaat dat die uitspraak vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond, en
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 218,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. R.A. Wolf, in tegenwoordigheid van mr. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
19 maart 2024.
De griffier, De voorzitter,
S. Darwinkel A.E. Keulemans
Een afschrift van dit proces-verbaal is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 20 maart 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Artikel 6:8 van Pro de Awb.
3.Artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.HR, 8 oktober 2004, nr. 39 417, ECLI:NL:HR:2004:AR3512.
6.HvJ EU, 27 maart 2019, C-545/17, Pawlak, ECLI:EU:C:2019:260.
7.CRvB, 16 juni 2020, nr. 19/190 PW, ECLI:NL:CRVB:2020:1207.
8.ABRvS, 15 juli 2020, 201904417/1/A3, ECLI:NL:RVS:2020:1682.
9.HR, 14 oktober 2011, nr. 11/01261, ECLI:NL:HR:2011:BT7470.
10.Zie artikel 8:55, negende lid, van de Awb.
11.Vergelijk Hoge Raad 18 februari 2011, nr. 10/00480, ECLI:NL:HR:2011:BP4781, r.o. 3.3 en 3.4, en Hoge Raad 14 juli 2017, nr. 16/05760, ECLI:NL:HR:2017:1336, r.o. 2.3.2.