Belanghebbende was samen met zijn toenmalige partner eigenaar van een woning die in 2014 werd verkocht met een restschuld van €151.912. De restschuld werd verdeeld over beide partijen, waarbij belanghebbende voor de helft aansprakelijk is. Voor het jaar 2018 had belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting ontvangen waarbij hij een renteaftrek van €4.484 op de restschuld had opgegeven.
Na een herziene aangifte waarin hij een hogere renteaftrek claimde, weigerde de Inspecteur deze toe te staan en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank Gelderland stelde de Inspecteur in het gelijk en oordeelde dat alleen rente over de hoofdsom aftrekbaar is, niet over rente die op de hoofdsom is bijgeschreven.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat hij recht had op een hogere aftrek, gebaseerd op 7% rente over de gemiddelde schuld in 2018. Ook stelde hij dat de Inspecteur eerdere jaren had gevolgd en dat hem op grond van het vertrouwensbeginsel daarom een hogere aftrek toekwam. Het hof oordeelde dat de rente over bijgeschreven rente niet aftrekbaar is en dat belanghebbende zijn bewijslast niet had voldaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat niet was aangetoond dat de Inspecteur een weloverwogen standpunt had ingenomen in eerdere jaren.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.