Belanghebbende was interim-manager en (mede)bestuurder van twee BV's, [naam4] BV en [naam7] BV, die pensioenadviesactiviteiten verrichtten. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW op voor de jaren 2012 tot en met 2016, inclusief vergrijpboetes wegens vermeend voorwaardelijk opzet. Belanghebbende maakte bezwaar, dat deels ongegrond werd verklaard, waarna zij in beroep ging bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep instelde bij het hof.
Het hof oordeelde dat de betalingen die belanghebbende op haar privébankrekening ontving, ondanks dat facturen op naam van de BV's stonden, terecht als loon uit dienstbetrekking moesten worden aangemerkt. De uitdelingscorrectie voor aflossingen op schulden van [naam4] BV door [naam7] BV werd echter vernietigd omdat deze betalingen zakelijke overwegingen dienden en geen bevoordeling van belanghebbende inhielden.
De vergrijpboetes voor 2012 en 2013 werden bevestigd, de boete voor 2014 verlaagd vanwege vervallen uitdelingscorrectie. Het bezwaar over 2015 werd terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof kende proceskosten en griffierecht toe aan belanghebbende en verklaarde het hoger beroep gegrond voor de navorderingsaanslag, belastingrente en boete 2014.