Belanghebbende BV kreeg voor het jaar 2006 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met heffingsrente en een vergrijpboete. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank waarin de naheffingsaanslag en heffingsrente werden gehandhaafd en de boete werd vernietigd, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof voornamelijk de vraag of de naheffingsaanslag binnen de wettelijke vijfjaarstermijn tijdig was opgelegd en bekendgemaakt. Belanghebbende stelde dat het aanslagbiljet pas in januari 2012 was ontvangen, waardoor de aanslag niet tijdig zou zijn. Het hof oordeelde dat de inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt dat het aanslagbiljet op 16 december 2011 per aangetekende post was verzonden, zodat de aanslag tijdig was vastgesteld.
Daarnaast was in geschil of de aftrek van voorbelasting op basis van het landbouwforfait terecht was toegepast. Belanghebbende had geen landbouwverklaringen overgelegd en kon niet aannemelijk maken dat zij in bewijsnood verkeerde door inbeslagname van administratie. Het hof oordeelde dat de aftrek niet gerechtvaardigd was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.