Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak bestaande uit een bedrijfshal met bedrijfswoning. De heffingsambtenaar kwalificeerde de zaak als niet-woning en legde een hogere OZB-aanslag op. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat minder dan 70% van de waarde aan het woningdeel zou toekomen.
In hoger beroep stelt belanghebbende dat de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient, omdat de bedrijfshal na staking van de onderneming als opslag voor privédoeleinden wordt gebruikt en daarmee volledig dienstbaar is aan de woning. Het hof stelt vast dat de bedrijfshal niet geschikt is voor bewoning, maar door het feitelijke gebruik als opslagruimte volledig dienstbaar is aan de woning.
Het hof concludeert dat meer dan 70% van de WOZ-waarde aan woondoeleinden kan worden toegerekend, waardoor het lagere OZB-tarief van toepassing is. Daarnaast is de redelijke termijn voor de uitspraak in eerste aanleg met zes maanden overschreden, zodat een immateriële schadevergoeding van € 500 wordt toegekend. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vermindering van de aanslag, betaling van de schadevergoeding, proceskosten en vergoeding van griffierechten.