Belanghebbende, een in Nederland woonachtige rijnvarende, was in 2016 werkzaam voor een in Liechtenstein gevestigde werkgever en voerde werkzaamheden uit aan boord van een binnenvaartschip met wisselende eigendom en A1-verklaringen. De Inspecteur legde een aanslag IB/PVV op over het belastbaar inkomen en weigerde vrijstelling van premieheffing voor de periode 1 februari tot 11 april 2016, conform een onherroepelijke A1-verklaring van de SVB.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep betwistte belanghebbende de juistheid van de A1-verklaring en de weigering tot verrekening van in Liechtenstein geheven socialezekerheidspremies. Het hof oordeelde dat de A1-verklaring bindend is en dat verrekening pas verplicht is indien Liechtenstein de premies aan Nederland heeft overgemaakt, hetgeen niet is gebeurd.
Het hof constateerde dat de controle van de aangifte mede voortvloeide uit risicoselectie op grond van het beroep als rijnvarende, maar geen sprake was van schending van grondrechten of discriminatie. De aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen van € 27.973. Tevens werd een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De proceskosten werden vastgesteld op € 3.030,25 ten laste van de Inspecteur.