ECLI:NL:GHARL:2025:2417

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
22 april 2025
Zaaknummer
Wahv 200.340.466
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing proceskostenvergoeding in hoger beroep Wahv-zaken

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de kantonrechter Zeeland-West-Brabant inzake een sanctie opgelegd aan betrokkene voor het niet voor laten gaan van een voorrangsvoertuig. De kantonrechter had de sanctie gematigd en een proceskostenvergoeding toegekend met toepassing van een wegingsfactor van 0,25.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat deze wegingsfactor onjuist was toegepast en verwees naar eerdere arresten van het hof. Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte de nieuwe regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv had toegepast, omdat de beslissing van de officier van justitie vóór 1 januari 2024 was genomen en de nieuwe regeling pas daarna van toepassing is.

Het hof vernietigde daarom het besluit over de proceskostenvergoeding en bepaalde dat de kantonrechter de vergoeding had moeten berekenen met een wegingsfactor van 0,5 voor de kantonfase en 0,25 voor het hoger beroep. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 680,25. Het hof verklaarde zich onbevoegd over het hoger beroep tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beslissing over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van € 680,25.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.340.466/01
CJIB-nummer
: 246266608
Uitspraak d.d.
: 22 april 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 maart 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 125,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 218,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “een voorrangsvoertuig (van bijvoorbeeld ambulance, brandweer of politie) niet voor laten gaan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 december 2021 om 12.46 uur op het John F. Kennedyviaduct in Bergen op Zoom met het voertuig met het kenteken [kenteken] .De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 125,-.
2. Het hoger beroep is gericht tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding. Volgens de gemachtigde heeft de kantonrechter ten onrechte besloten de wegingsfactor ‘zeer licht’ toe te passen bij het toekennen van de proceskosten voor de kantonfase. Hierbij verwijst de gemachtigde naar een aantal arresten van dit hof van 11 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6787), 17 april 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:3248) en 30 maart 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:3770).
3. Blijkens de beslissing van de kantonrechter vindt de matiging van het sanctiebedrag haar grondslag in de schending van de redelijke termijn van berechting en in een schending van de hoorplicht door de officier van justitie. De kantonrechter heeft de betrokkene aldus in het gelijk gesteld in de zin van het arrest van het hof van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Het uitgangspunt is dat de wegingsfactor van een Mulderzaak waarbij de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld 0,5 (gewicht van de zaak = licht) is (vgl. het arrest van het hof van 20 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4173).
4. De kantonrechter heeft bij het toekennen van de proceskostenvergoeding overwogen dat, nu zijn beslissing dateert van na 1 januari 2024, de proceskosten op grond van gewijzigde regelgeving, en meer in het bijzonder artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw), moeten worden berekend aan de hand van factor 0,25 (ECLI:NL:GHARL:2024:1). Het hof begrijpt de beslissing van de kantonrechter aldus dat hij deze factor als de hier toe te passen wegingsfactor beschouwt.
5. Nog daargelaten dat de in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) genoemde factor niet de wegingsfactor betreft als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, is deze bepaling in het onderhavige geval reeds hierop niet van toepassing, nu uit het overgangsrecht van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen voortvloeit dat deze bepaling eerst van toepassing is op rechtsmiddelen tegen na 31 december 2023 bekendgemaakte besluiten en beslissingen. In deze zaak is de beslissing van de officier van justitie vóór 1 januari 2024 bekendgemaakt.
6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
7. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
8. De proceskosten gemaakt in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. Nu de betrokkene in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor genoemd in artikel 13a, tweede lid van de Wahv (nieuw) toe omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769).
9. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van 680,25,- ((1 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,25)).
10. Ten aanzien van de grond dat de in artikel 13a, derde en vierde lid, van de Wahv neergelegde maatregel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zal het hof zich onbevoegd verklaren, aangezien het de feitelijke uitvoering van de beslissing betreft (vgl. het arrest van het hof van 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 680,25.
verklaart zich onbevoegd om kennis te van het hoger beroep, voor zover gericht tegen de uitbetaling
proceskostenvergoeding.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.