ECLI:NL:GHARL:2025:3261

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
27 mei 2025
Zaaknummer
200.348.214
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep pachtovereenkomst tussen broer en zus

In deze zaak staat de vraag centraal of tussen appellant als pachter en geïntimeerde als verpachtster een pachtovereenkomst bestaat. Partijen zijn broer en zus en voeren een civiel geschil over het gebruik van grond. Er loopt tevens een bodemprocedure waarin de rechtbank Oost-Brabant heeft geoordeeld dat niet is vastgesteld dat er een pachtovereenkomst geldt.

Appellant heeft het hoger beroep tegen de voorlopige voorziening in deze kort gedingprocedure doorgehaald, omdat het volgens hem geen effect heeft nu het bodemvonnis er is. Geïntimeerde stemt in met de doorhaling, maar wenst dat appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Het hof begrijpt het verzoek tot doorhaling als een neerlegging bij de uitspraak van de pachtkamer en verklaart appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep. Omdat partijen het niet eens zijn over de proceskosten, veroordeelt het hof appellant tot betaling van de proceskosten van geïntimeerde. De kosten dienen binnen 14 dagen te worden voldaan, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en veroordeeld tot betaling van proceskosten aan geïntimeerde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.214
zaaknummers rechtbank Zeeland-West-Brabant 11269706
arrest in kort geding van de pachtkamer van 27 mei 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats 1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in Middelburg optrad als eiser in conventie
en verweerder in reconventie
hierna: [pachter]
advocaat: mr. S. Wannet
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats 2] (gemeente [gemeente] )
die bij de pachtkamer in Middelburg optrad als gedaagde partij en als eiseres in reconventie
hierna: [verpachtster]
advocaat: mr. M.A.J. Brouwers

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het gaat in dit kort geding om de vraag of voldoende aannemelijk is dat tussen [appellant] als pachter en [verpachtster] als verpachtster een pachtovereenkomst bestaat. [pachter] en [verpachtster] zijn broer en zus. Mede over deze vraag is ook een bodemprocedure tussen partijen aanhangig (geweest).
1.2.
Na memoriewissel is bij arrest van 25 maart 2025 een mondelinge behandeling bij dit hof bepaald op 9 mei 2025. Bij brief van 2 mei 2025 heeft [pachter] verzocht om doorhaling van de zaak. Hij heeft ook verzocht of daarbij de proceskosten voor eigen rekening van partijen konden blijven. [pachter] wijst erop dat op 30 april 2025 in de hierboven genoemde bodemprocedure een eindvonnis is gewezen. In dat vonnis heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat niet vastgesteld kan worden dat er tussen [pachter] en [verpachtster] een pachtovereenkomst geldt. Het voortzetten van een hoger beroepsprocedure tegen een voorlopige voorziening, terwijl dit vonnis in de bodemzaak er ligt, heeft volgens [pachter] geen “effect”. Bij brief van 5 mei 2025 heeft [verpachtster] gereageerd: zij stemt in met het verzoek om doorhaling, maar wenst dat [pachter] in de proceskosten wordt veroordeeld.

2.De toelichting op de beslissing van het hof

2.1.
Het hof begrijpt het verzoek tot doorhaling zo, dat [pachter] de gronden van het hoger beroep niet handhaaft en zich neerlegt bij de uitspraak van de pachtkamer in kort geding van de pachtkamer in Middelburg. Dit brengt mee dat het hof [pachter] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
2.2.
Het hof begrijpt het verzoek van [pachter] op die manier, omdat [pachter] in zijn brief zonder voorbehoud een éénzijdig verzoek tot doorhaling doet, terwijl over de voorwaarden daarvan met [verpachtster] geen overeenstemming is bereikt. [pachter] en [verpachtster] zijn het er namelijk over oneens of een proceskostenveroordeling op zijn plaats is. Doorhaling in de zin van artikel 246 Rv Pro kan alleen op verlangen van beide partijen en heeft geen rechtsgevolgen. Een proceskostenveroordeling zou daarbij dan ook niet aan de orde zijn. Ook [verpachtster] heeft het verzoek van [pachter] blijkbaar niet als een doorhaling in de zin van artikel 246 Rv Pro begrepen.
2.3.
Het hof zal [pachter] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen, als de in het ongelijk gestelde partij. Weliswaar zijn [pachter] en [verpachtster] broer en zus, maar het gaat hier om een zakelijk geschil over het gebruik van grond. [verpachtster] is in dit hoger beroep gedwongen geweest proceskosten te maken om zich te verweren. [verpachtster] heeft geen uitvoerbaarheid bij voorraad van de proceskostenveroordeling gevorderd zodat het hof dat ook niet zal toewijzen.

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
verklaart [pachter] niet ontvankelijk;
3.2.
veroordeelt [pachter] tot betaling van de volgende proceskosten van [verpachtster] :
€ 349,- aan griffierecht
€ 1.214,- aan salaris van de advocaat van [verpachtster] (1 procespunt x tarief II);
3.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, S. Kropman., G.P. Oosterhoff en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en ing. H.G.J.M. Janssen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.