Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland die oordeelde dat de vennootschap onder firma (vof) waarin hij firmant is, geen bron van inkomen vormt voor het jaar 2018. De vof houdt zich voornamelijk bezig met het verpanden van producten en heeft sinds 2015 jaarlijks negatieve resultaten behaald, met uitzondering van 2022.
De Inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2018 opgelegd op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 91.706, waarbij het negatieve resultaat van de vof niet in mindering is gebracht. De rechtbank heeft dit standpunt bevestigd, omdat er geen objectieve voordeelsverwachting is.
Het hof overweegt dat aan de eerste twee voorwaarden voor een bron van inkomen (deelname aan het economische verkeer en subjectief oogmerk) is voldaan, maar dat de objectieve verwachting van voordeel ontbreekt. De jarenlange negatieve resultaten, de hoge rentelasten en het ontbreken van een levensvatbare bedrijfsvoering maken het onwaarschijnlijk dat de vof in 2018 positieve opbrengsten zou genereren.
De vof heeft geen aannemelijke feiten en omstandigheden gesteld die het tegendeel bewijzen. Ook de positieve resultaten in 2022 en de door belanghebbende gestelde cijfers voor 2023 en 2024 kunnen het oordeel over 2018 niet wijzigen. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aanslag en de belastingrente.