Belanghebbende, firmant in een vennootschap onder firma (vof) die zich bezighoudt met verpanding van producten en verkoop, werd voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van €116.088. De Inspecteur stelde dat de activiteiten van de vof geen bron van inkomen vormden omdat er geen objectieve voordeelsverwachting was, mede door jarenlange negatieve resultaten en een boekenonderzoek dat dit bevestigde.
De Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en stelde de Inspecteur in het gelijk. Belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof oordeelde dat hoewel aan de eerste twee voorwaarden voor een bron van inkomen (deelname aan economisch verkeer en oogmerk om voordeel te behalen) was voldaan, de objectieve verwachting van een positief resultaat ontbrak. Dit werd onderbouwd met financiële gegevens waaruit bleek dat de vof van 2015 tot en met 2021 negatieve resultaten behaalde, ondanks een klein positief resultaat in 2022.
Het Hof nam ook mee dat de rente op geldleningen van 2% aan de vof werd beschouwd en dat de vof geen zekerheden bood, wat wijst op een hoog debiteurenrisico. De vof had bovendien geen vergunning gekregen voor de beoogde vuurwerkverkoop, wat de winstverwachting verder beperkte. De door belanghebbende aangevoerde positieve cijfers voor 2023 en 2024 konden niet worden meegewogen wegens gebrek aan onderbouwing. Het Hof concludeerde daarom dat de activiteiten in 2018 geen bron van inkomen vormden en bevestigde de aanslag en belastingrente. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.