ECLI:NL:GHARL:2025:4776

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
1 augustus 2025
Zaaknummer
200.344.700/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kort geding tussen buren over privacy-inbreuk en erfafscheiding

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is behandeld, gaat het om een geschil tussen buren over de plaatsing van beveiligingscamera's en de uitvoering van een erfafscheiding. De appellanten, buren van de geïntimeerden, hebben hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, waarin hen was bevolen om hun camera's zodanig af te plakken dat deze geen beelden meer maken van het erf en de woning van de andere partij. De voorzieningenrechter had geoordeeld dat de camera's een onrechtmatige inbreuk op de privacy van de geïntimeerden opleveren. In hoger beroep hebben de appellanten hun eis gewijzigd en vorderden zij onder andere een tijdelijke erfafscheiding en een verbod op het gebruik van een steiger door de geïntimeerden. Het hof heeft geoordeeld dat het hoger beroep van de appellanten niet slaagt en dat de vorderingen van de geïntimeerden moeten worden bekrachtigd. Het hof heeft de appellanten ook veroordeeld in de proceskosten van de geïntimeerden. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging bij het plaatsen van camera's en de rechten van buren op privacy.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.344.700/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 574090
arrest van 1 juli 2025
in het kort geding van

1.[appellante] ,

die woont in [woonplaats1] ,
2. [appellant],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de voorzieningenrechter optraden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie,
hierna samen:
[appellanten]en ieder afzonderlijk
[appellante]en
[appellant],
advocaat: mr. M.J.E.L. Delissen te Den Haag,
tegen

1.[geïntimeerde1] ,

die woont in [woonplaats1] ,
2. [geïntimeerde2],
die woont in [woonplaats1] ,
3. [geïntimeerde3],
die woont in Portugal,
en bij de voorzieningenrechter optraden als eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna samen:
[geïntimeerden]en ieder afzonderlijk
[geïntimeerde1],
[geïntimeerde2]en
[geïntimeerde3],
advocaat: mr. T.A. Phijffer te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 16 juli 2024. [1] Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende eiswijziging en memorie van grieven
• de memorie van antwoord,
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 11 maart 2025 is gehouden.
1.2
Aan het slot van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof om aanhouding van de zaak verzocht voor minnelijk overleg. Op 22 april 2025 heeft appellant laten weten dat een schikking niet is bereikt. Partijen hebben het hof gevraagd arrest te wijzen.
2.
De kern van de zaak
2.1
[appellanten] zijn eigenaar van een perceel aan de [adres] 17 in [woonplaats1] . [geïntimeerde3] is eigenaar van het daarnaast gelegen perceel aan de [adres] 18 in [woonplaats1] . [geïntimeerde3] verhuurt de woning op het perceel aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . [appellanten] hebben met [geïntimeerden] verschil van mening over een groot aantal onderwerpen. Het lukt hen niet om de geschillen onderling op te lossen, reden waarom zij inmiddels zijn verwikkeld dan wel verwikkeld zijn geweest in meerdere civiele en bestuursrechtelijke procedures.
2.2
Bij de voorzieningenrechter hebben [geïntimeerden] vier vorderingen ingesteld. [appellanten] hebben daartegen verweer gevoerd en hebben in reconventie negen tegenvorderingen geformuleerd. De voorzieningenrechter heeft in conventie [appellanten] veroordeeld om de beveiligingscamera’s zodanig af te plakken dat deze geen beelden en opnamen meer maken van het erf en de woning van het perceel [adres] 18 te [woonplaats1] . Ook zijn [appellanten] veroordeeld om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [geïntimeerden] een bewijs te sturen waaruit blijkt dat hieraan is voldaan. Daarbij zijn [appellanten] veroordeeld om aan [geïntimeerden] een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt. In conventie zijn de overige vorderingen afgewezen. Ook de vorderingen in reconventie zijn afgewezen.
2.3
De bedoeling van [appellanten] met het hoger beroep is dat de in conventie toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen, dan wel een eventuele dwangsom wordt bepaald op € 10,- per dag met een begunstigingstermijn van drie maanden na betekening van het arrest. [appellanten] hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd. In hoger beroep vorderen zij [geïntimeerden] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot medewerking aan de realisatie van een niet-mandelige erfafscheiding, te verbieden een steiger/steigerterras te gebruiken, te veroordelen een erfdienstbaarheid te vestigen en te verbieden het terrein van [appellanten] te betreden. Ook vorderen [appellanten] [geïntimeerde1] te veroordelen tot betaling van € 5.000,- als voorschot op de schadevergoeding omdat [geïntimeerde1] een plantenbak zou hebben vernield. [2]
2.4
Het hof zal oordelen dat het hoger beroep niet slaagt en dat de vorderingen van [appellanten] moeten worden afgewezen. Na de feiten te hebben vastgesteld, zal dat hierna worden uitgelegd. De bezwaren (grieven) en de vorderingen zullen daarbij thematisch worden behandeld.

3.Het oordeel van het hof

De feiten
3.1
Partijen zijn elkaars directe buren. [appellanten] zijn eigenaar van het perceel aan de [adres] 17 te [woonplaats1] en [geïntimeerde3] is eigenaar van het perceel aan de [adres] 18 te [woonplaats1] . Het betreft twee ruime percelen, gelegen op een smalle landtong tussen twee plassen. [geïntimeerde3] bewoonde de woning op zijn perceel aanvankelijk zelf, maar is verhuisd naar Portugal. Hij verhuurt de woning aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] die daarin eind 2022 hun intrek hebben genomen.
3.2
[geïntimeerde3] en [appellanten] hebben in 2019 en 2020 een civiele procedure gevoerd over de ligging van de erfgrens tussen hun percelen. Deze procedure is geëindigd met een schikking van 4 augustus 2020 (hierna: de schikking). De schikking is vastgelegd in een proces-verbaal van de zitting in kort geding van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2020. Hierin is onder meer opgenomen:
‘1. Partij [appellant] draagt zorg voor het plaatsen van een hekwerk dat haaks staat op het thans aanwezige hekwerk in eigendom bij [geïntimeerde3] aan de straatzijde. Dit door partij [appellant] te plaatsen hekwerk komt te staan aansluitend op de thans aanwezige opsluitband. Partij [appellant] verstrekt opdracht aan de firma LAM en partij [appellant] draagt ook de kosten van het plaatsen van het hekwerk. Het te plaatsen hekwerk loopt door tot de voorgevel/rooilijn van het woonhuis [adres] 18 met een marge van een meter aan beide zijde van de rooilijn. Dit hek zal een mandelige erfafscheiding zijn, zodat de erfgrens in het midden onder deze erfafscheiding ligt.
Het hekwerk wordt geplaatst inclusief voorziening voor de aansluiting van dat hekwerk op het reeds aanwezige hek aan de straatzijde van partij [geïntimeerde3] . Indien en voor zover voor het aanbrengen van dit hekwerk een omgevingsvergunning vereist is, zal partij [appellant] deze vergunning aanvragen en zal partij [geïntimeerde3] alle noodzakelijke medewerking ten behoeve van het verkrijgen van deze vergunning verlenen.
2. Aansluitend op het onder 1. genoemde hekwerk plaatsen partijen een betonnen erfafscheiding tegen de reeds aanwezige keerwanden van partij [appellant] . Deze betonnen erfafscheiding loopt door tot aan het bijgebouw van partij [geïntimeerde3] . Deze betonnen erfafscheiding is mandelig, zodat de erfgrens gelegen is onder het midden onder deze betonnen erfafscheiding.
De kosten van het plaatsen van deze erfafscheiding worden ieder voor de helft door partijen gedragen met dien verstande dat partij [appellant] de kosten zal dragen voor het aanbrengen van deze betonnen erfafscheiding noodzakelijk aanpassing van de afsluitband en het straatwerk op het erf van [geïntimeerde3] gelegen voor het bijgebouw.
In onderling overleg zullen partijen offertes vragen en geven partijen de opdracht voor de aanleg van deze betonnen erfafscheiding.
(…)
3. Naast het bijgebouw plaatsen partijen geen erfafscheiding. Indien en voor zover de tuin en keerwanden van [appellant] over de thans bestaande kadastrale erfgrens steken, zullen partijen een erfdienstbaarheid vestigen, waarbij [geïntimeerde3] aan [appellant] een exclusief gebruiksrecht geeft van het desbetreffende stuk grond. Partij [geïntimeerde3] bepaalt bij welke notaris de akte wordt verleden waarin deze erfdienstbaarheid wordt vastgelegd. Partij [geïntimeerde3] draagt de kosten van de notaris. [appellant] stelt [geïntimeerde3] in staat noodzakelijk onderhoud vanaf het erf van partij [appellant] te
verrichten aan het bijgebouw van partij [geïntimeerde3] . [geïntimeerde3] licht [appellant] in over de aard, het tijdstip en de duur van het onderhoud dat hij zal verrichten of laten verrichten. Dit wordt ten minste twee weken van tevoren aangekondigd met uitzondering van noodsituaties.
(…)
8. Partijen zullen in gezamenlijk goed onderling overleg uitvoering geven aan deze overeenkomst en zullen daartoe elkaar tijdig de vereiste inlichtingen verstrekken.’
3.3
Tussen [geïntimeerde3] en [appellanten] is vervolgens een geschil ontstaan over (de uitvoering van) deze schikking. [appellanten] hebben in een eerste kort geding een voorlopige voorziening gevraagd die er toe strekte dat de schutting (ook wel betonnen erfafscheiding) zo spoedig mogelijk gerealiseerd zou worden, in overeenstemming met de afspraken van de schikking en de offerte van Betonnenschutting.com. [geïntimeerde3] heeft in die procedure in reconventie gevorderd - samengevat - dat de opdracht tot plaatsing van de schutting pas kan worden gegeven nadat een door beide partijen akkoord bevonden gedetailleerde bouwtekening is verstrekt, waaruit blijkt dat de schutting zal worden geplaatst direct aansluitend op en tegen de opsluitbanden en keerwanden. De voorzieningenrechter heeft zowel de conventionele als reconventionele vorderingen betreffende de schutting afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 8 juni 2021 hierover onder meer overwogen:
‘4.4 Uit het proces-verbaal volgt dat partijen de plaatsing van ‘een betonnen erfafscheiding’ zijn overeengekomen, die ‘tegen de reeds aanwezige keerwanden’ van [appellant] c.s. en tot aan het bijgebouw van [geïntimeerde3] wordt geplaatst.
(…)
Omdat vaststaat dat de schutting zoals omschreven in de offerte van Betonnenschutting.com van 23 maart 2021 een betonnen erfafscheiding is als bedoeld in nr. 2 van het proces-verbaal, geldt daarvoor hetgeen partijen zijn overeengekomen onverkort. Partijen zijn over en weer verplicht hieraan uitvoering te geven.
(…)
4.6
Het enige wat partijen met betrekking tot de schutting kennelijk nog verdeeld lijkt te houden, is het antwoord op de vraag wat precies moet worden verstaan onder de zinsnede ‘tegen de reeds aanwezige keerwanden’. Voor [appellant] c.s. is die plaats duidelijk maar [geïntimeerde3] is daarover kennelijk onzeker, mede vanwege zijn ervaringen in het verleden. Over de plaats van de schutting kan geen enkele misverstand bestaan. (…) Ten eerste blijkt uit nr. 2 van het proces-verbaal precies waar de schutting geplaatst dient te worden, namelijk tegen de reeds aanwezige keerwanden.
(…)
4.8
De conclusie is dat beide partijen jegens elkaar verplicht zijn om een aannemer opdracht te geven tot het plaatsen van een enkele, betonnen schutting (met enkele palen) en met enkele beplating zoals blijkt uit de offerte van Betonnenschutting.com van 23 maart 2021, en wel tegen de bestaande keerwanden.’
3.4
Op 21 juni 2021 hebben [appellanten] hun akkoord gegeven op de offerte van Betonnenschutting.com. Op 28 juni 2021 heeft [geïntimeerde3] zijn akkoord gegeven.
3.5
Op 3 augustus 2021 werd begonnen met de plaatsing van de schutting. Vlak na de aanvang van de werkzaamheden bleek dat plaatsing van de schutting niet mogelijk was. Door de zachte veengrond werd de constructie te instabiel. De werkzaamheden zijn vervolgens gestaakt.
3.6
[appellanten] hebben het grondbedrijf Everts GWW vervolgens om advies gevraagd. Everts GWW adviseert om de schutting te voorzien van een betonnen strookfundering met funderingspalen. De schuttingpalen moeten dan vervolgens in het midden van de balk worden gezet, zodat een stevig geheel ontstaat. De fundering komt daarbij zo dicht als mogelijk tegen de keerwanden. Dit zorgt er volgens Everts GWW voor dat het gewicht van de schutting gedragen kan worden en voorkomt dat de schutting kan omwaaien. Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven:
3.7
Everts GWW heeft op 1 september 2021een prijsopgave voor de door hem geadviseerde funderingswerkzaamheden gedaan van € 10.285,- (inclusief btw).
3.8
[appellanten] zijn vervolgens een kort geding gestart tegen [geïntimeerde3] over de te plaatsen schutting. Partijen waren akkoord gegaan met de offerte van Betonnenschutting.com voor het plaatsen van een betonnen erfafscheiding, maar volgens [appellanten] ging [geïntimeerde3] niet akkoord met de door [appellanten] opgevraagde offerte van grondbedrijf Everts GWW voor het plaatsen van de fundering voor de schutting. [appellanten] hebben bij de rechtbank in kort geding gevorderd - samengevat - dat de rechter hen machtigt om de offerte van Everts GWW namens [geïntimeerde3] te accepteren en na aanvaarding van de offerte de schutting inclusief fundering te laten plaatsen. Verder hebben [appellanten] gevorderd dat [geïntimeerde3] wordt veroordeeld om die werkzaamheden op straffe van het verbeuren van een dwangsom te gedogen, de helft van de geoffreerde kosten te betalen en de kosten te betalen van de uren die door Betonnenschutting.com en Everts GWW worden doorbelast in geval van stagnatie. [geïntimeerde3] heeft verweer gevoerd en (in reconventie) gevorderd dat [appellanten] wordt verboden om eigenhandig werkzaamheden te (doen) verrichten. De voorzieningenrechter heeft op 11 januari 2022 de vorderingen (in conventie en reconventie) afgewezen.
3.9
In een beschikking van 20 april 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op verzoek van [geïntimeerde3] , [naam1] als deskundige benoemd en hem bevolen onderzoek te doen naar (onder andere) de bouwkundige constructie van de keerwand, de oorzaak van het afwateringsprobleem naast de bouwkundige constructie en de (voorgestelde) bouwkundige ingrepen om het afwateringsprobleem te herstellen.
3.1
[appellanten] zijn tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 11 januari 2022 in hoger beroep gekomen. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 20 december 2022 het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en de vorderingen van [appellanten] afgewezen. [3] Het hof heeft onder meer overwogen:
‘4.9 (…) Het hof acht het niet aannemelijk dat partijen er bij het maken van de afspraak rekening mee hielden dat de schutting vanwege de ondergrondse constructie op enige afstand van de keerwanden zou worden geplaatst. De procedure waarin partijen de overeenkomst hebben gesloten ging immers over de door [appellante] en [appellant] afgebroken bestaande erfafscheiding (zonder fundering) en de positie van de erfgrens tussen hun percelen.(…)
4.1
Het voorstel van Everts GWW voorziet niet in de plaatsing van de schutting tegen de aanwezige keerwanden. In plaats daarvan is voorgesteld om de fundering tegen de keerwanden te plaatsen, waarbij de schutting vervolgens in het midden van de fundering komt. Dit zorgt ervoor dat de schutting op enige afstand van de keerwanden wordt geplaatst, zoals goed te zien is op de schematische weergave onder 3.6.[zie hiervoor rechtsoverweging 3.6 van dit arrest, toevoeging hof]
Uitvoering geven aan het voorstel van Everts GWW heeft daarom tot gevolg dat de schutting dichter bij de woning van [geïntimeerde3] komt te staan dan partijen hebben afgesproken en in het verlengde daarvan de erfgrens ook in zijn nadeel wordt opgeschoven. Het hof is voorlopig van oordeel dat [geïntimeerde3] niet is gehouden om daarmee in te stemmen. (…)
4.12
Bovendien betwist [geïntimeerde3] ook dat de door Everts GWW voorgestelde fundering een oplossing voor het probleem biedt. [geïntimeerde3] is namelijk van mening dat de keerwanden zorgen voor de te hoge grondwaterstand. Omdat de keerwanden niet zijn gefundeerd verzakken deze en deze verzakking zou een te plaatsen schutting vervolgens uit het lood duwen. Volgens [geïntimeerde3] zijn de keerwanden inmiddels al scheef komen te staan. In plaats van het funderen van de schutting zouden juist de keerwanden gefundeerd moeten worden. [geïntimeerde3] baseert zich op het advies dat hij heeft ingewonnen bij Gebroeders Dalmulder Infra B.V. en inmiddels heeft de rechtbank op zijn verzoek een deskundige benoemd om nader onderzoek te doen naar de oorzaak van het probleem en de mogelijke oplossingen daarvoor. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde3] is de juistheid van de stelling van [appellante] en [appellant] dat het plaatsen van een fundering onder de schutting zorgt voor een oplossing voor de instabiliteit in deze procedure onvoldoende aannemelijk geworden en dit is eveneens reden om voorshands te concluderen dat [geïntimeerde3] niet kan worden verplicht om medewerking te verlenen aan het plaatsen van de schutting zoals door Everts GWW is voorgesteld. Dit leidt tot afwijzing van de vorderingen I tot en met IV.
4.13
[appellante] en [appellant] kunnen op hun eigen grond, ter hoogte van de keermuren, desgewenst een tijdelijke vorm van erfafscheiding plaatsen. Voor toewijzing van de vordering dat [geïntimeerde3] dat op zijn grond doet, biedt de wet geen grondslag. Voor zover [appellante] en [appellant] hebben aangevoerd dat onduidelijk is of de keerwanden wel op hun grond staan, overweegt het hof dat uit de gesloten schikking volgt dat partijen die eigendomsvraag ten voordele van [appellante] en [appellant] hebben beantwoord.’
3.11
De door de rechtbank benoemde deskundige [naam1] heeft in zijn rapport van 16 november 2023 geconcludeerd ten aanzien van de bouwkundige constructie van de keerwand, het afwateringsprobleem bij de keerwand en de mogelijke ingrepen voor herstel:
‘In principe is een keerwand bestaande uit betonnen L-vormige elementen een voor de hand liggende keuze bij maaiveld verschillen zoals in onderhavige situatie is ontstaan na ophoging perceel nummer 17. Door de toegevoegde belasting op de korte horizontaal liggende voet van het betonnen L-vormige element wordt kantelen meestentijds tegengegaan. Mits de bodem waar de elementen op staan, draagkrachtig genoeg is.
(…) De zachte drassige veengrond onder de puin- en zand lagen, waar de elementen op staan, is weinig draagkrachtig en ondergaat zettingen, waardoor de betonnen elementen verschilzettingen laten zien. (…) Een onderlinge koppeling tussen de elementen eventueel aangevuld met trekankers, had verschilzettingen kunnen voorkomen/beperken. Zo had een drainage aan de voet de waterlast op belendend perceel eventueel kunnen beperken. Daarmee is dus niet gezegd dat de gerealiseerde keerwand gebreken vertoont of foutief is te noemen edoch dat er altijd verbeteringen mogelijk zijn.
Voor wat betreft de keerwand in relatie tot de te plaatsen betonnen schutting, offerte Betonschutting, (…) dient vermeld te worden dat de relatief zware schutting in deze situatie niet als zodanig gerealiseerd kon worden. (…) Hetgeen schijnbaar ook gebleken is bij het plaatsen van de eerste schuttingpaal. (…)
Dalmulder heeft in haar document, d.d. 15 december 2021, (…), een aantal adviezen gegeven, zoals: (…)
- Gording met trekankers toepassen bij keerwand. Dit is een goede aanvulling om de keerwand meer vormvastheid te geven. Daardoor ontstaat een samengesteld geheel, waardoor verschilzettingen worden beperkt/voorkomen en wordt deze beter geborgd in de
grond, om kantelen te voorkomen.
-Drainage. Een drainage nabij de voet van de keerwanden, kan de waterlast op het perceel nummer 18 mogelijk beperken. Edoch niet in die mate dat de wateroverlast achterop het perceel hiermee wordt beïnvloed. De drainage zal een lokale invloed hebben, nabij de keerwand, mits dit afgevoerd kan worden (aansluiten op riool, vrij verval, toestemming gemeente), mits onderhouden. (…)
Naar de mening van ondergetekende zijn de zinvolle verbeteringsmaatregelen welke uitgevoerd dienen te worden overeenkomstig de bovenstaande twee maatregelen van Dalmulder, gording met trekankers en drainage. Daarbij dient vermeld te worden dat dit
niet alle verschilzettingen in de toekomst van de keerwand zal kunnen voorkomen en ook niet alle wateroverlast op het perceel van nummer 18 kan voorkomen.
Daarbij komt nog dat een betonnen schutting als eerder door partijen is overeengekomen niet gerealiseerd kan worden op een goede, deugdelijke en duurzame wijze. Het is misschien te overwegen om een schutting te plaatsen met houten palen, langs de keerwand met stalen rasters en deze laten begroeien. Daarbij kan deze dan gekoppeld worden aan de keerwanden. Een dergelijke oplossing is licht qua gewicht, kan relatief hoog uitgevoerd worden en vraagt weinig extra ruimte. (…)
Als maatregelen als bovenstaand omschreven uitblijven zal de waterlast op het perceel van nummer 18, nabij de keerwand blijven bestaan en is de kans dat de verschilzettingen van de keerwand toenemen aanwezig. Waarbij uiteindelijk de L-vormige elementen verder richting het perceel van nummer 18 kunnen kantelen.’
3.12
In een e-mail van 12 januari 2024 schrijft de advocaat van [geïntimeerde3] aan [appellanten] :
‘Alweer enige tijd geleden heeft de door de rechtbank benoemde deskundige de heer [naam1] van Bureau voor Bouwpathologie zijn deskundigenrapport toegezonden.
Diens bevindingen en conclusies hebben bewijskracht tussen partijen (dit is een uitgangspunt van de wet).
Namens cliënt verzoek ik u mij binnen tien dagen na vandaag te berichten dat u de bouwkundige ingrepen en maatregelen zult nemen die de deskundige noodzakelijk acht c.q. (…) vereist om de geconstateerde bouwkundige gebreken te herstellen, en daarbij aan te geven binnen welke termijn u daarmee een aanvang neemt.
Verneem ik niet dan wel in afwijkende zin, dan zal cliënt zich helaas tot de rechter moeten wenden die het deskundigenonderzoek heeft bevolen. Cliënt hoopt niet dat het zover moet komen.’
3.13
Aan de sommatie van [geïntimeerde3] hebben [appellanten] niet voldaan. Ook na correspondentie tussen hen is het niet tot een oplossing gekomen. Op 20 juni 2024 schrijft [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerden] nog:
‘Partijen zijn na langdurige procedures op 4 augustus 2020 overeengekomen om een betonnen erfafscheiding te plaatsen met een maximale hoogte van 2 meter boven het maaiveld van [adres] 17. (…) Het plaatsen van een definitieve erfafscheiding is in het belang van alle partijen. Een minnelijke regeling dient daarom ten minste een oplossing voor de plaatsing van een robuuste, permanente erfafscheiding te omvatten. Zonder dat hierover overeenstemming wordt bereikt, is er geen ruimte voor een minnelijke regeling op andere onderdelen. Ik verzoek u daarom te komen met voorstellen omtrent het plaatsen van een definitieve erfafscheiding, in het licht van hetgeen partijen op 4 augustus 2020 zijn overeengekomen. Mocht uw cliënten hiertoe niet bereid zijn, respectievelijk dat hierover tussen partijen geen overeenstemming wordt bereikt, dan zal vonnis in kort geding worden gevraagd en zal een procedure op grond van artikel 6:258 BW worden gestart om een
oplossing te vinden voor de ontstane impasse inzake de plaatsing van de overeengekomen erfafscheiding.’
3.14
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben twee honden. Op 12 juli 2024 heeft [geïntimeerde2] deze ‘s avonds uitgelaten. Daarbij is tussen de honden van [geïntimeerden] en een hond van een andere buurman een schermutseling ontstaan. [appellant] heeft zich hiermee bemoeid. [geïntimeerde2] voelde zich beledigd door de wijze waarop hij dat deed. Zij heeft daarover op 4 september 2024 schriftelijk aan hun advocaat verklaard:
‘So he was absolutely not "talking to me" but rather he was yelling at me for several minutes long. He kept standing in front of his house and kept verbally abusing me the whole time and continued while I was walking back to my house very stressed, alone and in pitch dark. Secondly, while I'm not denying that Mr. [appellant] might have mentioned something about leashing my dogs, he was mostly insulting me and threatening me. As I was very distressed I cannot recall all the things he has yelled at me but some of the things that he yelled and clearly recall are:
-"How dare you to complain about my cameras" repeated about 10 times
-"you are psychopath" repeated several times
-"you are stupid cow"
-"I will make your life miserable here" and similar things repeated several times
-"I will bring you to court"’
3.15
[geïntimeerde1] is naar aanleiding van het voorval op 12 juli 2024, die avond nog naar de voordeur van [appellant] c.s. gelopen, heeft aangebeld en bij het weggaan een terracotta bloembak opgepakt en tegen de grond gegooid. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben [appellant] en [geïntimeerde1] over en weer hun verontschuldigingen aan elkaar aangeboden.
Vorderingen in hoger beroep
3.16
[appellanten] hebben in hoger beroep gevorderd het vonnis van de voorzieningenrechter te vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerden] af te wijzen. Voor zover de toegewezen vordering van [geïntimeerden] in stand blijft, moet de dwangsom worden bepaald op € 10,- per dag met een begunstigingstermijn van ten minste drie maanden na betekening van het te wijzen arrest. Vervolgens hebben [appellanten] hun bij de voorzieningenrechter gevorderde eis gewijzigd. Zij vorderen in hoger beroep:
I. [geïntimeerden] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat [appellanten] een niet-mandelige, (tijdelijke vorm van) erfafscheiding plaatsen naast de keerwand, en [geïntimeerden] te veroordelen de nodige medewerking te verlenen aan het plaatsen van deze (tijdelijke vorm van) erfafscheiding, waaronder begrepen het onbeperkt verlenen van toegang tot hun perceel en het vrijmaken van een werkruimte van minimaal één meter breed naast de keerwand, zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom,
II. [geïntimeerden] te verbieden de steiger/het steigerterras, gelegen aan de oostzijde van het chalet van [adres] 18 te [woonplaats1] te gebruiken, op straffe van het verbeuren van een dwangsom,
III. [geïntimeerde3] te veroordelen om er zorg voor te dragen dat de erfdienstbaarheid betreffende
een op 4 augustus 2020 overeengekomen gebruiksrecht, binnen een maand na betekening van het arrest wordt gevestigd, op straffe van het verbeuren van een dwangsom,
IV. [geïntimeerden] te verbieden het perceel van [appellanten] te betreden respectievelijk te doen betreden, op straffe van het verbeuren van een dwangsom,
V. [geïntimeerde1] te veroordelen om aan [appellanten] binnen zeven dagen na het arrest € 5.000,- te betalen als voorschot op de schadevergoeding vanwege de door [geïntimeerde1] vernielde entree
en plantenbak, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na het arrest,
VI. [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten.
3.17
[geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging voor zover daarin een eisvermeerdering ligt besloten. Ook ambtshalve ziet het hof geen bezwaar tegen de vermeerdering van eis, zodat recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
Spoedeisend belang
3.18
Het gaat in deze zaak om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Het hof moet daarom eerst beoordelen of ten tijde van de beslissing in hoger beroep bij de toegewezen vordering van [geïntimeerden] nog spoedeisend belang bestaat. Ook heeft het hof allereerst te beoordelen of [appellanten] op dit moment een spoedeisend belang hebben bij de door hun verlangde voorzieningen. [4]
3.19
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] nog steeds een spoedeisend belang hebben bij de door hen gevraagde en toegewezen voorlopige voorziening betreffende de camera’s. Die vordering is erop gericht een in hun ogen onrechtmatige situatie te beëindigen en beëindigd te houden. Hieruit vloeit het spoedeisend belang voort aan de zijde van [geïntimeerden]
3.2
[appellanten] hebben een spoedeisend belang voor wat betreft de vorderingen die betrekking hebben op de erfafscheiding (vordering I), de steiger dan wel het steigerterras (vordering II) en die ter zake het betreden van het perceel van [appellanten] (vordering IV). Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling bij het hof blijkt dat de problemen met betrekking tot het oprichten van de erfafscheiding tussen de percelen de burenruzie nog steeds laat escaleren en dat dit probleem tot ergernis en frustratie bij partijen leidt. Ook de huurders van [geïntimeerde3] hebben belang bij een spoedige oplossing van dit conflict. Hieruit vloeit het spoedeisend belang voort aan de zijde van [appellanten] voor wat betreft vordering I. Verder is uit de stukken en de mondelinge behandeling gebleken dat het gebruik van de steiger een bron van conflicten is evenals het betreden door [geïntimeerden] van het perceel van [appellanten] tegen de achtergrond van het incident dat op 12 juli 2024 heeft plaatsgevonden. Deze twee vorderingen zijn erop gericht een in de ogen van [appellanten] onrechtmatige situatie te beëindigen en beëindigd te houden. Hieruit vloeit het spoedeisend belang voort aan de zijde van [appellanten]
3.21
Een spoedeisend belang ontbreekt evenwel waar het gaat om de door [appellanten] gevorderde veroordeling van [geïntimeerde3] er zorg voor te dragen dat de erfdienstbaarheid betreffende het op 4 augustus 2020 overeengekomen gebruiksrecht wordt gevestigd (vordering III). Dit betreft de op 4 augustus 2020 overeengekomen nog te vestigen erfdienstbaarheid indien en voor zover de tuin en keerwanden van [appellant] over de thans bestaande kadastrale erfgrens steken. [appellanten] hebben onvoldoende onderbouwd waarom zij een spoedeisend belang hebben bij deze voorlopige voorziening. Daarbij komt dat [appellanten] op 20 juni 2024 aan [geïntimeerden] hebben aangegeven dat zij de vaststellingsovereenkomst van augustus 2020 op grond van artikel 6:258 BW willen laten wijzigen. Dit valt niet goed te rijmen – zonder nadere toelichting die ontbreekt - dat overeenkomstig die te wijzigen vaststellingsovereenkomst de erfdienstbaarheid toch wordt vastgelegd bij de notaris conform de oorspronkelijke vaststellingsovereenkomst. De gevorderde voorziening onder III komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. [5]
3.22
Dat geldt ook voor het door [appellanten] gevorderde voorschot van € 5.000,- op de schadevergoeding vanwege de door [geïntimeerde1] vernielde entree en plantenbak (vordering V).
In het algemeen geldt dat bij toewijzing van een geldvordering in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is. Bij een vordering in kort geding tot betaling van een geldsom dienen feiten en omstandigheden te worden aangewezen die meebrengen dat de voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. [6] De verzwaring van de motiveringseisen heeft overigens slechts betrekking op het oordeel van de kortgedingrechter dat een voorziening in de vorm van een veroordeling tot betaling van een voorschot geboden is uit hoofde van onverwijlde spoed; voor het overige gelden voor de motivering geen zwaardere eisen dan in het algemeen aan de motivering van een uitspraak in kort geding moeten worden gesteld. Zie daarvoor hierna rechtsoverweging 3.24. [7] Een vordering tot betaling van een geldsom kan in kort geding worden toegewezen als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.
3.23
[appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij deze geldvordering. Het ontgaat het hof wat op dit moment voor [appellanten] de dringende noodzaak voor betaling van de schadevergoeding is. [appellanten] hebben bijvoorbeeld niet gesteld dat zij in een positie verkeren waarin zij een onmiddellijke behoefte hebben aan betaling van een voorschot op die schadevergoeding. Evenmin hebben zij gesteld waarom zij het eindvonnis in een bodemzaak niet kunnen afwachten. Dat door [geïntimeerde1] volgens de stelling van [appellanten] op grove wijze inbreuk is gemaakt op de eigendommen van [appellanten] - wat daar ook van moge zijn - betekent op zichzelf nog niet dat van [appellanten] niet kan worden verlangd dat zij een bodemprocedure afwachten. Dat klemt te meer nu [geïntimeerden] de schadevergoedingsplicht en de omvang ervan gemotiveerd hebben betwist. Dat sprake is van de door [appellanten] gestelde geldvordering met de door hen gestelde omvang die zonder meer voor toewijzing gereed zou liggen, moet dan ook worden betwijfeld. De belangen van partijen over en weer afwegend, leidt het voorgaande tot afwijzing van de geldvordering. Of aan de zijde van [appellanten] sprake is van een restitutierisico kan vervolgens in het midden blijven. De gevorderde voorziening V komt niet voor toewijzing in aanmerking.
Toetsingskader kort geding
3.24
Het hof zal in dit kort geding moeten beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Voor de vraag of de gevraagde voorlopige voorziening moet worden gegeven, zal het hof zich een voorlopig oordeel vormen van de feiten, het daarop toe te passen recht en vervolgens beoordelen of gelet op de belangen van partijen de gevraagde voorziening moet worden gegeven. Het hof zal bij deze belangenafweging het voorlopige karakter van zijn oordeel, de spoedeisendheid, de ingrijpendheid of onomkeerbaarheid van de voorziening en de voor- en nadelen van het uitblijven daarvan in aanmerking nemen. Als uitgangspunt geldt verder, gelet op de aard van het kort geding, dat in deze procedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering.
De camera’s
3.25
Tussen partijen is in geschil of de door [appellanten] geplaatste camera’s een onrechtmatige inbreuk op de privacy van [geïntimeerden] opleveren. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de door [appellanten] aangevoerde redenen geen rechtvaardigingsgrond opleveren op basis waarvan [appellanten] zicht mag hebben op het perceel [adres] 18 te [woonplaats1] . [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] mogen verwachten, aldus de voorzieningenrechter, dat [appellanten] hun belang op privacy respecteren door ervoor zorg te dragen dat de camera’s geen beeld geven van (delen van) het perceel van [geïntimeerden] De voorzieningenrechter heeft om die reden [appellanten] veroordeeld de huidige camera’s zodanig af te plakken dat deze geen beelden en opnamen meer maken van het erf en de woning van het perceel [adres] 18 te [woonplaats1] . [appellanten] dienden daarvan binnen een week na betekening van het vonnis aan [geïntimeerden] een bewijs te sturen waaruit zou blijken dat aan de veroordeling was voldaan.
3.26
Tegen dit oordeel komen [appellanten] op. Zij stellen dat zij geen daadwerkelijke inbreuk op de privacy van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] maken. Daartoe hebben zij een privacy-mask geactiveerd waardoor geen beelden van [adres] 18 worden opgenomen. Een privacy-mask is een doeltreffend en algemeen geaccepteerd middel om een inbreuk op privacy te voorkomen, terwijl voor hen geen aanleiding bestaat om het privacy-mask te deactiveren. [appellanten] hebben aangegeven dat te allen tijde mag worden gecontroleerd of het privacy-mask aanwezig is en op de opgeslagen beelden aanwezig was. Voor zover sprake zou zijn van enige inbreuk op de privacy, dient een gedegen belangenafweging plaats te vinden om te bezien of de inbreuk op de privacy gerechtvaardigd is. Die belangenafweging is door de voorzieningenrechter niet gemaakt, aldus [appellanten] Zij wijzen erop dat:
-door het installeren van een privacy-mask zij al het redelijke hebben gedaan om geen inbreuk te maken op de privacy van [geïntimeerden] ,
-aan het afplakken van de camera's hoge kosten zijn verbonden. De kosten voor het inhuren van een hoogwerker bedragen circa € 2.000. De kosten van het afplakken van de camera's is
daarmee onevenredig met het daarmee te bereiken doel,
-zij recht hebben op het genot van hun eigendommen,
-zij recht hebben om hun eigendommen adequaat te beschermen,
-zij recht hebben op vrijheid en veiligheid,
-zij recht hebben op eerbiediging en bescherming van hun lichamelijke integriteit,
-bij een alarm het alarmsysteem een melding geeft aan het beveiligingsbedrijf, dat direct kan meekijken en desgewenst de beelden met de politie kan delen. Door het fysiek afplakken wordt het beveiligingsbedrijf de mogelijkheid ontnomen om tijdens een calamiteit en voor de duur van de calamiteit het privacy-mask te deactiveren teneinde een beter beeld te krijgen van de situatie en deze beelden te delen met de politie,
-door [geïntimeerden] veelvuldig inbreuk wordt gemaakt op de rechten van [appellanten] ,
-bij het afplakken van de camera’s zodanig, dat het perceel van [geïntimeerden] niet in beeld wordt gebracht, een groot veiligheidslek ontstaat, waardoor niet goed meer in beeld kan worden gebracht dat een persoon (waaronder [geïntimeerden] ) het terrein van [appellanten] betreedt.
[appellanten] hebben voorts gesteld dat in het kader van de belangenafweging ook moet worden betrokken dat [geïntimeerden] was aangeboden dat te allen tijde gecontroleerd zou mogen worden of [appellanten] het privacy-mask zou hebben gedeactiveerd, [geïntimeerde3] weigert invulling te geven aan de overeenkomst van 4 augustus 2020, waarbij onder meer is overeengekomen dat een betonnen erfafscheiding wordt geplaatst, en weigert mee te werken aan een vervangende oplossing. Voor zover sprake is van een inbreuk op het recht op privacy, is dit te wijten aan eigen handelen van [geïntimeerden] Door de laurierhaag te verwijderen hebben [geïntimeerden] zelf ertoe bijgedragen dat zicht ontstaat op hun perceel. [geïntimeerden] zijn met zomerse
dagen bovendien veelal in badkleding al dan niet topless in hun tuin, hetgeen in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit dient te worden meegenomen, aldus [appellanten]
3.27
In het algemeen geldt dat het [appellanten] is toegestaan om ter beveiliging van hun woning, vrijheid, veiligheid en lichamelijke integriteit camera’s te plaatsen. Dit recht is echter niet onbegrensd. Onder omstandigheden kan het plaatsen van camera’s onrechtmatig zijn jegens [geïntimeerden] Dat is het geval als door hun positie die camera’s op ontoelaatbare wijze inbreuk maken op de privacy van [geïntimeerden] Iedereen heeft namelijk in beginsel recht op privacy en op het recht om ‘onbespied’ te zijn in eigen woning en tuin. Een inbreuk op dat recht is in beginsel onrechtmatig. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan die inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of zich een rechtvaardigingsgrond voordoet moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval en onder afweging van de ernst van de inbreuk enerzijds en de belangen die met de inbreukmakende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend anderzijds. [8] Bij de waardering van de belangen dient te worden bedacht dat ook een inbreuk die naar objectieve maatstaven gering is, toch als zeer ingrijpend kan worden ervaren. De aard van de opnames en de wijze waarop daarmee wordt omgegaan, dienen te voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
3.28
Voor de beoordeling is in de eerste plaats van belang dat tussen partijen niet ter discussie staat dat op het moment dat het privacy-mask niet in werking is en de camera’s niet zijn afgeplakt, het perceel [adres] 18 in [woonplaats1] door de door [appellanten] geplaatste camera’s zichtbaar is. Dat is in beginsel onrechtmatig en daarvoor bestaat in dit geval geen rechtvaardigingsgrond. [appellanten] hebben gesteld dat van inbreuk op de privacy geen sprake (meer) is omdat zij op de camera’s een privacy-mask hebben ingesteld. Ter onderbouwing daarvan verwijzen zij naar één foto van één camera van 2 december 2023. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] aldus onvoldoende onderbouwd dat geen enkele door hen geplaatste camera meer inbreuk maakt op de privacy van [geïntimeerden] Dat neemt niet weg dat ook wanneer er veronderstellenderwijze van wordt uitgegaan dat door de aanwezigheid van het privacy-mask geen enkele camera inbreuk maakt op de privacy van [geïntimeerden] , door [appellanten] niet is betwist dat zij naar believen het privacy-mask kunnen aan- en uitzetten, ook zonder dat [geïntimeerden] weten dat door [appellanten] van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Gezien de escalerende ruzie tussen partijen, de gespannen en verstoorde verhoudingen waarbij het onderling vertrouwen inmiddels ver te zoeken is, acht het hof van belang dat het voor [geïntimeerden] kenbaar is dat de camera’s niet ook (een deel van) hun perceel opnemen. In het kader van het treffen van een tijdelijke voorziening heeft de voorzieningenrechter tegen deze achtergrond [appellanten] dan ook kunnen veroordelen tot het afplakken van de betrokken camera’s. Van een permanente blokkering van de opname mogelijkheden van de camera’s met het privacy-mask van het perceel van [geïntimeerden] is immers geen sprake is. Het afplakken is dan een afdoend alternatief. Dat het aanbrengen van een privacy-mask doorgaans een doeltreffend en algemeen geaccepteerd middel is, maakt het oordeel in dit geval niet anders gelet op de verstoorde verhoudingen en het gebrek aan vertrouwen dat de relatie tussen deze partijen kenmerkt. Onweersproken is dat [appellanten] tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank nog hebben aangegeven dat zij het privacy-mask elk moment kunnen verwijderen, weliswaar niet met terugwerkende kracht, maar wel voor dat moment en de toekomst en dat als er aanleiding voor is, zij een nieuwe belangenafweging gaan maken. Van [geïntimeerden] hoeft niet verwacht te worden dat zij van deze mogelijke willekeur afhankelijk zijn. Tegen de achtergrond van de wijze waarop partijen met elkaar omgaan, acht het hof het door [appellanten] gestelde aanbod aan [geïntimeerden] om te allen tijde te mogen controleren of [appellanten] het privacy-mask hebben gedeactiveerd, ontoereikend. [geïntimeerden] zouden in voorkomende situaties actief contact moeten zoeken met [appellanten] , terwijl [appellanten] juist wensen dat [geïntimeerden] hun perceel niet betreden en geen direct contact op hun perceel met hen hebben. De door de voorzieningenrechter gegeven voorlopige voorziening is daardoor in de gegeven omstandigheden passend en doeltreffend.
3.29
Ook de overige door [appellanten] aangevoerde redenen leiden niet tot een ander oordeel. Dat door [geïntimeerden] veelvuldig inbreuk wordt gemaakt op de rechten van [appellanten] is onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde3] is inmiddels verhuisd naar Portugal, terwijl het incident op 12 juli 2024 onvoldoende is, om deze conclusie ten aanzien van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te kunnen rechtvaardigen. Dat aan een beveiligingsbedrijf door het afplakken van de camera’s de mogelijkheid wordt ontnomen om tijdens een calamiteit en voor de duur van de calamiteit het privacy-mask te deactiveren teneinde een beter beeld te krijgen van de situatie en deze beelden te delen met de politie, is op zichzelf ook onvoldoende om een andere conclusie te rechtvaardigen. Waarom de beelden van het eigen terrein van [appellanten] in dat geval onvoldoende zouden zijn en een inbreuk op de rechten van de buren rechtvaardigen, is zonder adequate toelichting – die ontbreekt – niet in te zien. Ook het kostenaspect leidt niet tot een ander oordeel. Het is immers [appellanten] die de inbreuk op de privacy van [geïntimeerden] in het leven hebben geroepen, terwijl ze bij het plaatsen van de camera’s met het voorkomen van een dergelijke inbreuk al rekening hadden moeten houden.
3.3
[appellanten] hebben verder nog gesteld dat de inbreuk op de privacy van [geïntimeerden] door [geïntimeerden] zelf wordt veroorzaakt omdat [geïntimeerde3] weigert invulling te geven aan de overeenkomst van 4 augustus 2020 om de tussen partijen overeengekomen en al betaalde betonnen erfafscheiding te plaatsen en [geïntimeerde1] een haag van een circa 4 meter hoge laurier heeft verwijderd. Deze argumenten maken het oordeel evenmin anders. Partijen twisten over de schutting. Indien [appellanten] van mening zijn dat een schutting de schending van hun privacy wegneemt, kunnen zij, zoals dit hof partijen reeds heeft meegeven (zie rechtsoverweging 3.10), op eigen grond een (tijdelijke) vorm van erfafscheiding plaatsen. [appellanten] zijn daartoe echter niet overgegaan (zie ook hierna rechtsoverweging 3.33 en verder). Op welke wijze het argument van [appellanten] dat [geïntimeerden] met zomerse dagen veelal in badkleding al dan niet topless in hun tuin aanwezig zijn, mede een rechtvaardigingsgrond vormt voor de inbreuk op de privacy van [geïntimeerden] dan wel in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit dient te worden meegenomen, kan het hof zonder adequate toelichting – die ook hier ontbreekt – niet volgen. [9]
Begunstigingstermijn voor afplakken camera’s
3.31
[appellanten] komen verder op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellanten] de huidige camera’s zodanig moeten afplakken dat deze geen beelden en opnamen meer maken van het erf en de woning van het perceel [adres] 18 te [woonplaats1] en daarvan binnen een week na betekening van het vonnis aan [geïntimeerden] een bewijs moeten sturen waaruit blijkt dat hieraan is voldaan. Zij stellen dat de voorzieningenrechter geen termijn heeft gegeven die in redelijkheid noodzakelijk was. In verband met de bouwvakvakantie was het onevenredig kostbaar om een absurd korte tijd te gunnen. Niet valt in te zien dat [appellanten] dit op stel en sprong moesten realiseren en eventuele maatregelen niet hadden kunnen meenemen met onderhoudswerkzaamheden, zoals gepland schilderwerk medio augustus 2024 en/of te wachten tot na de bouwvakvakantie. [appellanten] verzoeken een eventuele begunstigingstermijn te stellen op ten minste drie maanden na betekening van het te wijzen arrest, zodat een externe partij kan worden verzocht te verklaren dat geen inbreuk wordt gemaakt op de privacy en eventueel additionele maatregelen kunnen worden genomen. Ook verzoeken [appellanten] daarbij de hoogte van de dwangsom te bepalen op € 10,- per dag.
3.32
Het hof is van oordeel dat de door de voorzieningenrechter gegeven termijn van een week na betekening van het vonnis, een redelijke termijn is. Ook de hoogte van de dwangsom van € 100,- per dag tot een maximum van € 10.000,- is bereikt voor het geval niet aan de veroordeling zou worden voldaan, acht het hof redelijk. Het betreft immers een prikkel voor [appellanten] om aan de veroordeling op korte termijn gehoor te geven. Naar eigen stellingen hebben [appellanten] ook binnen een week na betekening van het vonnis aan de veroordeling voldaan, zodat zij geen belang meer hebben bij de aanpassing van de begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsom. [10]
De tijdelijke afscheiding
3.33
[appellanten] hebben bij wijze van vermeerdering van eis gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen te gehengen en te gedogen dat [appellanten] een niet-mandelige, (tijdelijke vorm van) erfafscheiding plaatsen naast de keerwand en daaraan de nodige medewerking te verlenen (zie rechtsoverweging 3.16 onder I). Zij hebben daarbij gesteld dat gezien de recente ernstige bedreiging en vernieling van de wal, het voor alle partijen wenselijk is dat zo spoedig mogelijk een (tijdelijke vorm van) erfafscheiding wordt geplaatst. [appellanten] wensen een erfafscheiding te plaatsen op eigen terrein, zo dicht als redelijkerwijs mogelijk is tegen hun keerwand aan en vorderen daarbij dat [geïntimeerden] werkruimte vrij maken ten behoeve van het plaatsen van de tijdelijke vorm van erfafscheiding op basis van het ladderrecht.
3.34
Het hof wijst deze vordering af. [appellanten] zijn bevoegd op eigen perceel een erfafscheiding te plaatsen, al dan niet tijdelijk. Daarvoor zijn zij niet afhankelijk van de medewerking van [geïntimeerden] Zie ook dit hof in de eerdere procedure, weergegeven onder rechtsoverweging 3.10 en dan rechtsoverweging 4.13. Van belang is verder dat [appellanten] niet hebben gesteld welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Daardoor bestaat daarover onduidelijkheid. Zij spreken van een erfafscheiding op eigen terrein, zo dicht als redelijkerwijs mogelijk is tegen hun keerwand aan, maar reppen met geen woord over het deskundigenbericht van [naam1] en de door hem uitgebrachte adviezen bij een te plaatsen erfafscheiding langs de keerwand, zoals het aanbrengen van gording met trekankers, gelet op onder meer het hellen van de keerwanden, en drainage. [11] Het gevolg van deze ontoereikende toelichting is dat er twijfel bestaat of de beoogde afscheiding voldoet aan de eisen die door de deskundige zijn geformuleerd. Zonder een adequate toelichting die ontbreekt, is er daarom in dit geval geen rechtvaardiging om [geïntimeerden] in het algemeen te veroordelen de nodige medewerking te verlenen aan het plaatsen van een (tijdelijke vorm van) erfafscheiding op het terrein van [appellanten] , waaronder begrepen het onbeperkt verlenen van toegang tot hun perceel en het vrijmaken van een werkruimte van minimaal één meter breed naast de keerwand.
Het gebruik van de steiger
3.35
[appellanten] hebben gevorderd [geïntimeerden] te verbieden de steiger/het steigerterras, gelegen aan de oostzijde van het chalet van [adres] 18 te [woonplaats1] , te gebruiken (zie rechtsoverweging 3.16, het gevorderde onder II). [appellanten] hebben gesteld dat vast staat dat de steiger zonder vereiste omgevingsvergunning is gebouwd, op gronden die bestemd zijn voor natuur. Het bouwen, gebruiken en in stand laten van het steigerterras is op grond van artikel 2.1 respectievelijk 2.3a van de Wabo verboden. Omdat sprake is van een illegale situatie, dient de vordering van [appellanten] te worden toegewezen. Zij hebben erop gewezen dat de toezichthouder van de gemeente Wijdemeren heeft vastgesteld dat [geïntimeerde3] een bouwwerk heeft gerealiseerd zonder daartoe een omgevingsvergunning te hebben. Het college van burgemeester en wethouders heeft vervolgens een last onder dwangsom opgelegd. In het advies van de commissie voor bezwaarschriften van de gemeente Wijdemeren staat dat vanaf het perceel van [appellanten] zicht is op de steiger en er vanaf de steiger zicht is op het perceel van [appellanten] , reden waarom de commissie van mening is dat het college terecht handhavend tegen de steiger is opgereden. De omstandigheid dat [geïntimeerden] de situatie gelegaliseerd willen krijgen door middel van wijziging van het bestemmingsplan, maakt niet, aldus [appellanten] , dat er thans sprake is van een legale situatie. De omstandigheid dat [geïntimeerde3] beroep heeft aangetekend en zich op het standpunt heeft gesteld dat handhaving in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, maakt hooguit dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden tegen een illegale situatie, maar maakt de steiger en het gebruik ervan niet legaal.
3.36
Het hof oordeelt als volgt. Door [appellanten] is onvoldoende toegelicht waarop hun vordering precies betrekking heeft. [appellanten] spreken van een steiger/steigerterras, terwijl [geïntimeerden] hebben aangegeven dat het gaat om gedeeltelijk erfverharding of terras en slechts ten dele om een steiger. Door [appellanten] is verder niet betwist dat de gemeente in 2021 bij de rechtbank Utrecht in het ongelijk is gesteld omtrent het handhavend optreden tegen onder meer de steiger met het terras en een deel van een dwarssteiger. [12] Een nader genoemd besluit voor zover dat ziet op een last onder dwangsom om de steiger langs de oeverlijn met het terras te verwijderen en verwijderd te houden, is vernietigd omdat tenminste een deel van de steiger niet vergunning plichtig is. Voor een deel van de dwarssteiger was inmiddels een omgevingsvergunning verleend, zodat de rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake (meer) is van een overtreding. De rechtbank heeft het besluit - voor zover dat betrekking heeft op dat deel - ook vernietigd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is door [appellanten] niet betwist dat [geïntimeerde3] in een (nieuwe) beroepsprocedure in een handhavingsprocedure bij de rechtbank, opnieuw in het gelijk is gesteld. Tijdens de mondelinge behandeling is door [appellant] vervolgens verklaard dat de procedure is voortgezet bij de Raad van State en de zaak nog onder deze bestuursrechter ligt. Of sprake is van vergunningsplicht en al dan niet illegaal gebruik in de zin van het bestuursrecht staat daarmee niet vast. Daarnaast heeft te gelden dat het enkele gebruik van de ‘steiger/steigerterras’ door [geïntimeerden] niet zonder meer onrechtmatig is jegens [appellanten] Daartoe hebben [appellanten] gelet op het verweer van [geïntimeerden] te weinig gesteld, terwijl voor bewijslevering in dit kort geding geen plaats is. De vordering zal dan ook worden afgewezen. [13]
Het terreinverbod
3.37
In hoger beroep hebben [appellanten] gevorderd [geïntimeerden] te verbieden het perceel van [appellanten] te betreden op straffe van het verbeuren van een dwangsom. Ter onderbouwing verwijzen zij naar het incident dat op 12 juli 2024 heeft plaatsgevonden na een bijtincident tussen honden van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en een hond van een derde. [14] [appellanten] stellen dat zij weliswaar tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter op 11 juni 2024 hebben aangegeven van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] geen dreiging te vrezen, maar dat na het incident van 12 juli 2024 dat 180 graden is veranderd en dat zij weten dat [geïntimeerde1] zich niet kan beheersen als hij boos is, reden waarom zij in hoger beroep een terreinverbod vragen als tijdelijke voorziening. [appellanten] hebben gewezen op bordjes met ‘verboden toegang’ die zij langs de keerwand richting [geïntimeerden] hebben opgehangen.
3.38
Het hof wijst de vordering af. De bordjes met ‘verboden toegang’ staan langs de keerwand die op het perceel van [appellanten] staat en dient, zo heeft het hof de stellingen van [appellanten] begrepen, om te voorkomen dat [geïntimeerden] de erfgrens die naast de keerwand loopt, zullen overschrijden. Een dergelijk bordje staat evenwel niet bij de ingang van het perceel van [appellanten] , dat ook niet is afgesloten en in zoverre toegankelijk is voor een ieder. Het door [geïntimeerden] via de ingang incidenteel betreden van het perceel van [appellanten] met het doel een brief te bezorgen of anderszins met [appellanten] in contact te komen is dan ook op zichzelf niet onrechtmatig. Dat is in ieder geval anders voor zover [geïntimeerden] daarbij hinder veroorzaken of schade aan goederen toebrengen. Het voorval op 12 juli 2024 rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden nog niet een verbod het terrein te betreden op straffe van een dwangsom. [geïntimeerde1] kwam op voor zijn vrouw, wat gelet op de gedraging van [appellant] tegenover zijn vrouw en de indruk die dat op haar naliet alleszins begrijpelijk is. Dat hij uit de weigering van [appellant] met hem te spreken uit frustratie de bloempot heeft kapot gegooid, heeft hij betreurd en daarvoor heeft hij inmiddels ook meermaals zijn verontschuldigingen aangeboden, die overigens tijdens de mondelinge behandeling ook door [appellant] zijn geaccepteerd. Het hof ziet tegen deze achtergrond geen aanleiding om de gevraagde voorziening ter zake het terreinverbod toe te wijzen.
De conclusie
3.39
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak
. [15]
3.4
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 16 juli 2024;
4.2
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] in hoger beroep:
€ 349,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (2 procespunten x appeltarief II à € 1.214,-);
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.E. Wichers, mr. D.H. de Witte en mr. G.J.M. Verburg, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
1 juli 2025.

Voetnoten

2.Zie voor de in hoger beroep gewijzigde eis meer uitvoerig 3.16.
4.Vergelijk onder meer HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437, HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661 en HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1541.
5.Grief 4 faalt.
6.HR 22 januari 1982, NJ 1982, 505, HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5519 (NJ 2000/489), HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522 (NJ 2008/153).
7.HR 19 februari 1993, NJ 1995/704 (Aruba/Lopez en Trias).
8.HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609 (NJ 2002/589).
9.Grief 1 slaagt niet.
10.Grief 2 faalt ook.
11.Zie voor het deskundigenbericht, rechtsoverweging 3.11.
12.Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 22 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3388.
13.Grief 3 faalt.
14.Zie rechtsoverweging 3.14 en 3.15.
15.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.