In deze zaak heeft de koper een pony gekocht voor zijn dochter, waarna kort na aflevering kreupelheid werd vastgesteld. De koper heeft de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vorderde terugbetaling van de koopsom, ophaling van de pony en schadevergoeding. De verkoper betwistte dit en stelde dat het gebrek niet aanwezig was bij aflevering en dat de koper niet de mogelijkheid tot herstel heeft geboden.
De rechtbank wees de vorderingen van de koper grotendeels toe en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof stelt vast dat de koop een consumentenkoop betreft en dat volgens artikel 7:18a lid 2 BW het gebrek dat zich binnen een jaar openbaart, wordt vermoed aanwezig te zijn geweest bij aflevering, tenzij de aard van het gebrek of de zaak zich daartegen verzet. Deze uitzondering is hier niet van toepassing.
Het hof neemt de vaststellingen over dat de pony bij aflevering niet voldeed aan de overeenkomst omdat zij kreupel was. De verkoper slaagt er niet in het tegendeel te bewijzen, ondanks klinische en röntgenologische keuringen en verklaringen. Het hof oordeelt ook dat de koper niet verplicht was de oorzaak van de kreupelheid te onderzoeken.
Verder is vastgesteld dat de verkoper niet binnen een redelijke termijn tot herstel is overgegaan, waardoor de koper bevoegd was de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. De vorderingen van de verkoper in hoger beroep worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.