Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellante] en
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het proces-verbaal van de plaatsopneming met aansluitend een (enkelvoudige) mondelinge behandeling d.d. 16 september 2024;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de akte uitlaten van [appellanten]
2.De kern van de zaak en de beslissing
3.De toelichting op de beslissing van het hof
3.1 - 3.7. [appellanten] hebben in hun memorie van grieven weliswaar onder randnummer 16 vermeld dat de rechtbank enkele feitelijke onjuistheden heeft vastgesteld, maar zij hebben niet duidelijk toegelicht waaruit deze feitelijke onjuistheden bestaan, zodat het hof van eerdergenoemde feitenvaststelling uitgaat.
(deel b).
dat ik bij de aankoop van het perceel [kadasternummer2] c.a. - i.c. [adres2] - op de hoogte ben geweest van het feit én zonder overleg daarover te hebben gevoerd heb geaccepteerd, dat de eigenaren van resp. perceel [kadasternummer1] i.c. [adres1] (fam. [geïntimeerde] ) en van perceel [kadasternummer3] i.c. [adres3] (…)[hof: dit is het buurperceel van [adres2] ]
permanent gebruik maakten van delen van het perceel [kadasternummer2] rondom de garage en de aanpalende schuur.” [vorige bewoners] hebben, toen zij hun woning verkochten aan [appellanten] , in de NVM koopakte vermeld (bij vraag 1b of er mondelinge of schriftelijke afspraken zijn gemaakt over aangrenzende percelen): “
Een strook grond van ca. 25 centimeter grond rond garage/schuur wordt al tientallen jaren gebruikt door naaste buren.” Hierover heeft [naam2] in zijn eerdergenoemde schriftelijke verklaring verklaard: “
dat ik in de verkoopinformatie bij de invulling van vraag 1b (…) “ja” heb ingevuld omdat ik bij de aankoop in 1994 zowel van de kant van de toenmalige eigenaar van perceel [kadasternummer2][hof: [adres2] ]
(…) als van de toenmalige buren (waaronder de familie [geïntimeerde] ) mondeling ben geïnformeerd over het gebruik van strookjes grond, behorend bij perceel [kadasternummer2] door de beide andere perceeleigenaren.”
een soort molenwiek waarbij iedereen wat van elkaar gebruikt”. Dit is door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd weersproken. Dat er sprake was van het (over en weer) in gebruik hebben van stukken grond door buurtbewoners, volgt ook uit de hierboven weergegeven verklaring van [naam2] . Weliswaar is ook sprake van het gebruik van (slechts) ca. 25 centimeter grond rondom de garage/schuur en is de strook grond in kwestie breder (69 tot 78 centimeter, zie 3.4.), maar niet in geschil is dat alle handelingen waarnaar [geïntimeerde] in zijn stukken verwijst plaatsvonden op de strook grond, zoals gemarkeerd door de oude ligusterhaag, die al vóór 1981 de erfafscheiding markeerde. Hieruit leidt het hof af dat de omvang van de in gebruik gegeven strook grond min of meer ongewijzigd is gebleven.