ECLI:NL:GHARL:2025:6688

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
200.340.128
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:109 BWArt. 3:110 BWArt. 3:111 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bezit en verjaring van strook grond in burenrecht

In deze zaak staat centraal of geïntimeerde door verjaring eigenaar is geworden van een strook grond die kadastraal behoort tot appellanten. De rechtbank had geoordeeld dat verjaring was ingetreden, maar appellanten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.

Het hof stelt vast dat geïntimeerde de strook grond niet ondubbelzinnig als eigenaar heeft gehouden, maar dat sprake is van houderschap met stilzwijgende toestemming van de eigenaren van het perceel van appellanten. Diverse feitelijke handelingen van geïntimeerde, zoals het planten van een boom en het aanleggen van een haag, worden gezien als gebruik met toestemming en niet als bezit.

Daarmee faalt het beroep op verjaring, aangezien bezit een vereiste is voor verjaring. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt geïntimeerde om binnen drie maanden alle beplanting en bestrating op de strook grond te verwijderen, met een dwangsom bij niet-naleving. Tevens worden de proceskosten aan geïntimeerde opgelegd. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt geïntimeerde tot verwijdering van beplanting en bestrating op de strook grond binnen drie maanden onder dwangsom.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.340.128
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 553035)
arrest van 28 oktober 2025
in de zaak van

1.[appellante] en

2. [appellant]
die beiden wonen in [woonplaats]
hierna: [appellanten]
advocaat: mr. E. Vels
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. R.J. Sturkenboom

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 juni 2024 hier over. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de plaatsopneming met aansluitend een (enkelvoudige) mondelinge behandeling d.d. 16 september 2024;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • de akte uitlaten van [appellanten]
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern van de zaak en de beslissing

2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [geïntimeerde] door verjaring eigenaar is geworden (of rechthebbende op een erfdienstbaarheid) van een strook grond die tot het kadastrale perceel van [appellanten] behoort (hierna: de strook grond).
2.2.
Gelens heeft (samengevat weergegeven) bij de rechtbank in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat (i) hij op grond van verjaring eigenaar is geworden van de strook grond; althans dat hij op grond van een erfdienstbaarheid rechthebbende op de strook grond is geworden; en (ii) de rechtsvorderingen tot revindicatie van de grond door [appellanten] , althans tot vergoeding van hun schade, zijn verjaard. Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellanten] worden veroordeeld om toestemming en medewerking te verlenen aan een meting/grensreconstructie door het kadaster en aan notariële levering en inschrijving van de eigendom in het kadaster van de strook grond (om niet), dan wel notariële vestiging en inschrijving in het kadaster van het recht van erfdienstbaarheid (om niet); waarbij - als toestemming of medewerking uitblijft - het vonnis in plaats van de vereiste toestemming of medewerking zal treden; een en ander met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
2.3.
[appellanten] hebben (samengevat weergegeven) bij de rechtbank in reconventie (na wijziging van eis) gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om al hetgeen zich op de strook grond bevindt te verwijderen, op straffe van een dwangsom. Zij hebben ook gevorderd dat indien de volledige dwangsom is verbeurd, zij op kosten van [geïntimeerde] al hetgeen zich over de perceelsgrens bevindt, kunnen laten verwijderen. Daarnaast hebben zij (in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat [geïntimeerde] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond) een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerde] met de inbezitneming onrechtmatig heeft gehandeld en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding in natura (te weten: teruggave van de strook grond), op straffe van een dwangsom; subsidiair hebben zij schadevergoeding in geld gevorderd. Zij hebben voorts veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten gevorderd.
2.4.
De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat [geïntimeerde] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. In reconventie zijn de vorderingen van [appellanten] afgewezen. [appellanten] zijn zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen in conventie alsnog worden afgewezen en de afgewezen vorderingen in reconventie alsnog worden toegewezen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

de beslissing in het kort
3.1.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellanten] slaagt. Dit betekent dat [geïntimeerde] veroordeeld zal worden om alle beplanting en bestrating van de strook grond te verwijderen. Het hof licht deze beslissing hierna toe, waarbij het hof eerst ingaat op de feitenvaststelling door de rechtbank en de achtergrond van dit geschil.
de feitenvaststelling door de rechtbank
3.2.
Het hof gaat uit van de feiten zoals opgenomen in het vonnis van 24 januari 2024 onder
3.1 - 3.7. [appellanten] hebben in hun memorie van grieven weliswaar onder randnummer 16 vermeld dat de rechtbank enkele feitelijke onjuistheden heeft vastgesteld, maar zij hebben niet duidelijk toegelicht waaruit deze feitelijke onjuistheden bestaan, zodat het hof van eerdergenoemde feitenvaststelling uitgaat.
achtergrond van het geschil
3.3.
[geïntimeerde] is sinds 18 mei 1981 eigenaar van de woning gelegen aan [adres1] in Zeist (kadastraal bekend gemeente Zeist [kadasternummer1] ). [appellanten] zijn sinds 6 december 2021 eigenaar van het naastgelegen perceel, gelegen aan de [adres2] te Zeist (kadastraal bekend gemeente Zeist [kadasternummer2] ). De feitelijke afscheiding tussen beide percelen bestaat uit drie delen die in het verlengde van elkaar liggen. Vanaf de [adres1] bezien bestaat de erfafscheiding uit (a) een haag, (b) de muur van de garage van [appellanten] (die inmiddels is gesloopt) en (c) een schutting van ijzeren platen.
3.4.
Toen [geïntimeerde] in 1981 in de woning aan de [adres1] kwam wonen, stond er als erfafscheiding een ligusterhaag. Deze ligusterhaag liep vanaf die straat, langs de muur van de garage van de toenmalige bewoners van de [adres2] tot aan de achterwand van de garage. Omstreeks 1989 heeft [geïntimeerde] een boom geplant achter de garage in het verlengde van de ligusterhaag. In 1990 is de ligusterhaag verwijderd en hebben [geïntimeerde] en de familie [naam1] (de [eerste bewoners] van de woning aan de [adres2] ) gezamenlijk een coniferenhaag geplaatst tot aan de muur van de garage. In de periode 1990-1991 heeft [geïntimeerde] op de grond langs de garage een buxushaagje geplant, grind gestort en een parkeerplaats gemaakt. Op 15 februari 1994 zijn de heer [naam2] en mevrouw [naam3] (hierna: [vorige bewoners] ) in de woning aan de [adres2] komen wonen. In 2019 hebben [geïntimeerde] en [vorige bewoners] de coniferenhaag gezamenlijk vervangen door een taxushaag. Op 6 december 2021 hebben [vorige bewoners] de woning aan de [adres2] overgedragen aan [appellanten] In de vragenlijst behorend bij de koopovereenkomst tussen [vorige bewoners] en [appellanten] staat vermeld dat een strook grond van ca. 25 cm grond rond de garage/schuur al tientallen jaren wordt gebruikt door de naaste buren. [appellanten] hebben na de overdracht het kadaster ingeschakeld omdat zij wilden weten waar de erfgrens tussen hun perceel en (onder meer) het perceel van [geïntimeerde] lag. Uit de grensreconstructie van het kadaster d.d. 16 mei 2022 volgt dat de erfgrens afwijkt van de kadastrale grens. De strook grond die [geïntimeerde] in gebruik heeft (en waarvan hij stelt door verjaring eigenaar te zijn geworden) betreft een strook grond langs de gehele lengte van de oprit van [geïntimeerde] , met een breedte variërend van 69 cm tot 78 cm.
3.5.
[geïntimeerde] heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. De rechtbank heeft in eerste aanleg geoordeeld dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring opgaat. Hier komen [appellanten] in hoger beroep tegen op. [appellanten] betogen in hoger beroep in de kern dat er geen sprake is van inbezitneming door [geïntimeerde] , maar dat het gebruik van de strook grond is gedoogd, zodat er sprake is van houderschap. Het beroep op verjaring kan daarom volgens hen niet slagen.
juridisch kader
3.6.
Art. 3:107 lid 1 BW Pro bepaalt dat bezit het houden van een goed is voor zichzelf. Volgens art. 3:108 BW Pro wordt de vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de regels in de artikelen 3:109 - 3:117 BW en overigens op grond van uiterlijke feiten. In art. 3:111 BW Pro staat dat wanneer iemand is begonnen om op grond van een rechtsverhouding voor iemand anders te houden, dit zo blijft, zolang daarin geen verandering is gebracht. Een houder kan uit zichzelf geen verandering brengen in zijn houderschap of de grondslag daarvan. Die verandering kan alleen voortvloeien uit een handeling van de persoon voor wie iemand houdt, of door een betwisting (tegenspraak) van het recht van die persoon. Een dergelijke betwisting moet openlijk plaatsvinden en de houder moet zich daar ook naar gedragen. De enkele mededeling van de houder dat hij voortaan voor zichzelf wil houden is onvoldoende om te kunnen spreken van inbezitneming. Op [geïntimeerde] rust de stelplicht van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij bezitter en vervolgens door verjaring ook eigenaar is geworden en, als deze door [appellanten] naar behoren worden weersproken, ook de bewijslast.
geen bezit, maar houderschap
3.7.
De vraag ligt voor of [geïntimeerde] de strook grond in bezit heeft gehad. Daar is volgens het hof hier niet van gebleken. Hier stuit het beroep van [geïntimeerde] op verjaring op af, omdat bezit nodig is om de verschillende vormen van verjaring te laten starten. Zoals gezegd moet [geïntimeerde] , om van bezit te spreken, de grond voor zichzelf hebben gehouden. Daar is naar het oordeel van het hof hier naar verkeersopvattingen geen sprake van, hetgeen het hof hierna uit zal leggen.
3.8.
[geïntimeerde] stelt dat hij de strook grond in bezit heeft gehad en dus niet voor zijn toenmalige buren, maar voor zichzelf heeft gehouden. Hij doet daarvoor een beroep op gedragingen en omstandigheden die er, kort samengevat, op neerkomen dat hij in 1989 een boom geplant heeft op het gedeelte van de strook grond achter de garage (deel c, zie hiervoor onder 3.3.), in 1990 samen met de buren de ligusterhaag heeft vervangen door de coniferenhaag (deel a) en in 1990/1991 achter de garage een buxushaagje heeft geplant, grind gestort en een parkeerplaats gerealiseerd
(deel b).
3.9.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] zich volgens de verkeersopvattingen niet als bezitter heeft gedragen. Daarvoor is het volgende van belang. Uit de overgelegde stukken en de stellingen van [geïntimeerde] volgt dat - toen [geïntimeerde] in 1981 eigenaar werd van zijn woning - er een ligusterhaag stond tussen zijn perceel en het perceel aan de [adres2] , welke haag tot aan de achterwand van de garage liep. Deze ligusterhaag markeerde (in ieder geval volgens de eigen stellingen van [geïntimeerde] ) ook toen al de strook grond zoals die nu in geschil is tussen partijen. De ligusterhaag is in samenspraak met de familie [naam1] in 1990 vervangen door een coniferenhaag. De coniferenhaag is op dezelfde plek geplaatst als de ligusterhaag, maar liep minder ver door (de coniferenhaag liep niet meer langs de garage maar tot de garage). [geïntimeerde] en de familie [naam1] hebben de kosten van de aanleg van de coniferenhaag gedeeld. [geïntimeerde] gedroeg zich daardoor nog niet ondubbelzinnig als eigenaar van de grond die aan ‘zijn’ kant van de haag ligt. Zijn gedrag kwalificeert daarom niet als bezitsdaad. Uit zijn gedrag kan namelijk evengoed worden opgemaakt dat hij die grond met (al dan niet stilzwijgend gegeven) toestemming van de toenmalige buurman/eigenaar mocht blijven gebruiken (een gedoogd gebruik). [geïntimeerde] bleef houder van de strook grond en hield die strook voor de eigenaren van de [adres2] . Hij heeft niet gemotiveerd gesteld dat zijn gedrag en/of dat van de vorige eigenaren van zijn perceel ondubbelzinnig verandering in dit houderschap hebben gebracht. Het planten van een boom en een buxushaagje en het storten van grind en het realiseren van een parkeerplaats, kunnen immers net zo goed worden opgevat als handelingen die [geïntimeerde] heeft verricht als houder van de strook grond, met toestemming van de eigenaar daarvan.
3.10.
Dat er sprake was van houderschap en niet van bezit stemt overeen met de schriftelijke verklaring van de heer [naam2] d.d. 30 augustus 2022. Hij schrijft daarin dat hij en zijn partner, die in februari 1994 (kennelijk samen) eigenaar werden van perceel [adres2] , er nooit van zijn uitgegaan dat [geïntimeerde] bezitter van de strook grond was. Uit die schriftelijke verklaring van de heer [naam2] volgt daarentegen dat hij ervan uitging dat [geïntimeerde] de strook grond met (stilzwijgende) toestemming gebruikte. De heer [naam2] heeft verklaard: “
dat ik bij de aankoop van het perceel [kadasternummer2] c.a. - i.c. [adres2] - op de hoogte ben geweest van het feit én zonder overleg daarover te hebben gevoerd heb geaccepteerd, dat de eigenaren van resp. perceel [kadasternummer1] i.c. [adres1] (fam. [geïntimeerde] ) en van perceel [kadasternummer3] i.c. [adres3] (…)[hof: dit is het buurperceel van [adres2] ]
permanent gebruik maakten van delen van het perceel [kadasternummer2] rondom de garage en de aanpalende schuur.” [vorige bewoners] hebben, toen zij hun woning verkochten aan [appellanten] , in de NVM koopakte vermeld (bij vraag 1b of er mondelinge of schriftelijke afspraken zijn gemaakt over aangrenzende percelen): “
Een strook grond van ca. 25 centimeter grond rond garage/schuur wordt al tientallen jaren gebruikt door naaste buren.” Hierover heeft [naam2] in zijn eerdergenoemde schriftelijke verklaring verklaard: “
dat ik in de verkoopinformatie bij de invulling van vraag 1b (…) “ja” heb ingevuld omdat ik bij de aankoop in 1994 zowel van de kant van de toenmalige eigenaar van perceel [kadasternummer2][hof: [adres2] ]
(…) als van de toenmalige buren (waaronder de familie [geïntimeerde] ) mondeling ben geïnformeerd over het gebruik van strookjes grond, behorend bij perceel [kadasternummer2] door de beide andere perceeleigenaren.”
3.11.
Dit sluit aan bij de verklaring van [appellante] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Zij heeft verklaard dat zij had begrepen dat er in de buurt sprake was van “
een soort molenwiek waarbij iedereen wat van elkaar gebruikt”. Dit is door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd weersproken. Dat er sprake was van het (over en weer) in gebruik hebben van stukken grond door buurtbewoners, volgt ook uit de hierboven weergegeven verklaring van [naam2] . Weliswaar is ook sprake van het gebruik van (slechts) ca. 25 centimeter grond rondom de garage/schuur en is de strook grond in kwestie breder (69 tot 78 centimeter, zie 3.4.), maar niet in geschil is dat alle handelingen waarnaar [geïntimeerde] in zijn stukken verwijst plaatsvonden op de strook grond, zoals gemarkeerd door de oude ligusterhaag, die al vóór 1981 de erfafscheiding markeerde. Hieruit leidt het hof af dat de omvang van de in gebruik gegeven strook grond min of meer ongewijzigd is gebleven.
3.12.
Omdat het gebruik van de strook grond mogelijk met (stilzwijgende) toestemming gebeurde, is niet gebleken dat [geïntimeerde] bezitter van de strook grond is geworden, zodat hij niet door verjaring eigenaar is geworden en ook niet een recht van erfdienstbaarheid heeft verworven. Dit betekent dat het hoger beroep van [appellanten] slaagt. Het voorgaande brengt ook mee dat de vordering van [geïntimeerde] in eerste aanleg om voor recht te verklaren dat de rechtsvorderingen van [appellanten] tot revindicatie van de strook grond verjaard zijn, niet kan slagen. Omdat [geïntimeerde] houder
van de strook grond is en geen bezitter, is er immers geen sprake van een onrechtmatige toestand die de aanvang van een verjaringstermijn markeert, zodat de vordering van [appellanten] tot revindicatie niet is verjaard.
termijn verwijdering beplanting en bestrating op de strook grond
3.13.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. [appellanten] hebben gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na de datum van dit arrest alle beplanting en bestrating van de strook grond te verwijderen, zodat er slechts zwarte grond overblijft. Het hof vindt deze termijn te kort en beslist dat [geïntimeerde] binnen drie maanden na de datum van dit arrest alle beplanting en bestrating van de strook grond moet verwijderen. De gevorderde dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 15.000,- komt het hof niet buitensporig voor en zal het hof toewijzen. De vordering van [appellanten] dat - indien de volledige dwangsom is verbeurd - [appellanten] zelf al hetgeen zich over de kadastrale grens bevindt mogen verwijderen, zal het hof ook toewijzen.
de conclusie
3.14
Het hoger beroep slaagt. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.15
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland zittingsplaats Utrecht van 24 januari 2024 en beslist:
4.2.
veroordeelt [geïntimeerde] om binnen drie maanden na de betekening van dit arrest al hetgeen zich bevindt over de perceelsgrens tussen de percelen aan de zijde van [appellanten] , zoals kenbaar gemaakt door het kadaster tijdens de erfgrensreconstructie van 16 mei 2022, te verwijderen en dit verwijderd te houden een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 15.000,-;
4.3.
bepaalt dat indien de volledige dwangsom is verbeurd, [appellanten] zelf al hetgeen er zich over de kadastrale grens aan hun zijde bevindt op kosten van [geïntimeerde] kunnen laten verwijderen en afvoeren;
4.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 314,- aan griffierecht;
€ 1.196,- aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2 procespunten x tarief € 598,-) in conventie; en
€ 598,- in reconventie (2 procespunten x tarief € 598,- x 0,5);
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in hoger beroep:
€ 349,- aan griffierecht;
€ 136,72 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde] ;
€ 3.035,- aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.5.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.A. de Vrey, S.B. Boorsma en H.E. de Boer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.